Brieven & Antwoorden

 Brief inzake discriminatie aan de Minister van Justitie, mevrouw Onckelinx 

Ministerie van Justitie
Mevrouw de Minister Laurette Onkelinx
Waterloolaan 115
1000 Brussel

24 oktober 2004
discriminatie van niet-erkende religies

Mevrouw de Minister,

In 1998 schreef ik de heer Minister van Justitie, dhr. Verwilghen, een brief om een discriminatoire situatie aan te klagen. Tot op heden merk ik weinig beweging in het dossier. Dat kan er ons toe brengen gerechtelijke middelen aan te wenden. Nochtans meen ik dat dit een zaak van federaal belang is en dat het daarom beter is dat de Minister van Justitie hierin haar plannen uiteenzet. Een korte situatieschets:

• In ons land zijn enkel ‘monotheïstische religies’ erkend, alsook het Humanistisch Verbond (dat geen religie is, maar op morele waarden gebaseerde vrijdenkerij)
• De wetgeving die religieuze zaken in ons land regelt, steunt nog steeds op de “Loi du Gouvernement Impérial” van 30 december 1809 – Décret concernant les fabriques des églises (4, Bull. 303, n° 5777). De wet houdt geen rekening met ‘niet als kerk georganiseerde religies’.
• Wat de erkenning van erediensten aangaat dient te worden gesteld dat er geen wettelijke vastgelegde criteria zijn (brief van Minister Verwilghen van 1999). Bijgevolg is willekeur troef. Tot op heden heb ik nog nooit een sluitende en wettelijk onderbouwde erkenningsprocedure voor religies gezien.
• Voorts stellen we vast dat elke burger in dit land belastingen betaalt en dat een deel van die belastingen besteed wordt aan de weddenlasten van de bedienaren van de erkende religies. Dit betekent dat iemand die tot een in ons land niet erkende religie behoort (maar deze religie is vb. wèl erkend in Scandinavië), mee betaalt voor de bedienaren van andere, erkende religies, terwijl zijn eigen religie hiervoor geen cent ontvangt. Om maar te zwijgen over het onderhoudsgeld voor tempels/kerken/…
• Van de uitgekeerde bedragen gaat tot op heden 98 % naar het Rooms Katholicisme. Dit is een volkomen onhoudbare situatie. De overheid goochelt in dit verband met statistieken, alsof het getal het belang van een religie kan aanduiden. Een vastgeroeste traditie als ‘het dopen omdat de familie het zo wil’ werpt een verklarend beeld op van deze buiten proporties vastgelegde aantallen. Zo men écht zou willen weten hoeveel christenen er zijn in ons land, kan een simpele enquête volstaan. Het resultaat zou wel eens zeer ontnuchterend kunnen zijn. Daarop wijzen in ieder geval de dalende cijfers van praktiserende christenen.

U zult begrijpen dat een dergelijke toestand onhoudbaar wordt, daar het religieuze spectrum steeds gevarieerder wordt en de effectieve monopoliepositie van de katholieke kerk al lang tot het verleden behoort. Óf men legt de lat voor elke religie gelijk – een Rechtstaat waardig – óf men ziet hiervan af en geeft eerlijkheidshalve te kennen dat het de overheid niet menens is met de multi-religieuze samenleving waarin we leven. Het beleid zal dan wel discriminatoir blijven

Als voorzitter van een in enkele andere Europese staten erkende religie, nl. Asatrú (erkend in de Scandinavische landen en in IJsland), stel ik vast dat de Federale Overheid een «direct en indirect discriminatoire» houding aanneemt. De wet stelt duidelijk dat er slechts sprake zal zijn van directe of indirecte discriminatie wanneer het verschil in behandeling niet objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd, wat een garantie is voor de evenredigheid bij de toetsing van een eventuele strafbare handeling. De discriminatiegrond waarover het hier gaat, nl. godsdienst of overtuiging, is in de anti-discriminatiewet opgenomen. In bovenvernoemde zaak (de ongelijke behandeling van religies) wordt het gelijkheidsbeginsel met de voeten getreden. De wethouder stelt uitdrukkelijk dat “gelijkheid op juridisch vlak geen ideologie uitmaakt doch wel een rationeel begrip dat het fundament van het rechtssysteem raakt.” Met andere woorden: het fundament van ons rechtssysteem is hier in het geding, Mevrouw de Minister.

In artikel 2 van de anti-discrimiatiewet wordt gesteld: “Er is sprake van directe discriminatie indien een verschil in behandeling dat niet objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd, rechtstreeks gebaseerd is op het geslacht, een zogenaamd ras, de huidskleur, de afkomst, de nationale of etnische afstamming, seksuele geaardheid, de burgerlijke staat, de geboorte, het fortuin, de leeftijd, het geloof of de levensbeschouwing, de huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap.” Dat betekent dat het aanzetten tot of het voornemen te kennen geven van gelijk welke gedraging, die direct of indirect een verschillende behandeling van personen op grond van één van de verboden criteria zou meebrengen, objectief en redelijkerwijze moet worden gerechtvaardigd om niet strafbaar te zijn. In het geval van de erkenningsprocedure van religies en de financiële implicaties dat dit met zich meebrengt, is er geen enkel objectief en redelijk criterium die een dergelijke discriminatie rechtvaardigt.

De anti-discriminatiewet werd uitdrukkelijk ingesteld om een wettelijk kader te creëren om discriminerend gedrag, in «alle gevallen waarin een individu of een autoriteit over de mogelijkheid beschikt om discriminerend gedrag te veroorzaken», zowel strafrechterlijk als burgerrechtelijk te bestrijden (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-12/15, p. 6).

Van de andere kant gaat het internationale recht in dezelfde richting. De Europese Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 stipuleert dat de lidstaten ervoor zorgen, enerzijds, dat personen die zich «door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling» benadeeld achten, toegang krijgen tot «gerechtelijke en/of administratieve» procedures (artikel 9, lid 1) en, anderzijds, dat zij sancties zullen vaststellen die «doeltreffend, evenredig en afschrikkend» moeten zijn (artikel 17). Dat in het geval van de religie heel expliciet dit gelijkheidsbeginsel geschonden wordt, hoeft m.i. geen verdere uitleg. Het lijkt mij normaal in een Rechtstaat dat, als men belastingen betaalt die in religieuze doeleinden worden aangewend, deze op een gelijkheidsbeginsel gestoeide verdeelsleutel worden uitbesteed met oog voor de religieuze overtuiging van iedere burger van dit land. Vandaar dat punt B.36 van het Arrest van het Arbitragehof (Arrest 157/2004) volkomen op onze zaak van toepassing is: “Discriminatie kan alleen het voorwerp zijn van de maatregelen waarin de wet voorziet indien zij de personen die tot de gediscrimineerde categorie behoren, benadeelt. Er werd onderstreept dat een verschil in behandeling alleen discriminerend is wanneer het een «nadelig of negatief» effect heeft en waarin de gediscrimineerde persoon «ongunstiger [moet zijn behandeld] dan een ander in een vergelijkbare situatie».”

Dat er sprake is van directe discriminatie, lijkt ons duidelijk. Daarenboven is er ook sprake van «indirecte discriminatie». Deze doet zich voor wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling (vb. wet), maatstaf (procedureregels) of handelwijze (behandeling van niet erkende religies door de Federale Overheid) als dusdanig een schadelijke weerslag heeft op personen op wie een van de genoemde discriminatiegronden van toepassing is, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd. Vermits er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor deze indirecte discriminatie inzake religie, menen wij dat ook hier onze rechten geschonden zijn. De wetgever stelt dat “een verschil in behandeling kan worden gerechtvaardigd indien een legitiem doel wordt nagestreefd en er een redelijke verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.” Het is ons niet duidelijk wat in geval van religieuze discriminatie dit legitiem doel zou mogen zijn, en een redelijk verband van evenredigheid tussen het doel en de middelen is er o.i. evenmin.

Mevrouw de Minister,

Daar er in de anti-discriminatiewet stellig uitgedrukt wordt dat als er ook nog maar ‘een vermoeden’ van discriminatoir gedrag bestaat, de bewijslast dat er geen discriminatie is, ten laste van de verweerder valt.

Ik vraag u dan ook met aandrang, deze zaak ten gronde te onderzoeken. Mag ik u om sluitende, legaal gestipuleerde en door het Parlement bekrachtigde wetteksten vragen waarin de erkenningsprocedure voor de religies uiteengezet zijn, alsook de wettelijke omschrijving van wat rechtskundig dient verstaan te worden onder de term ‘religie’.

In 1998 werd bekend dat Minister Philippe Maystadt de z.g. kerkbelasting naar Duits voorbeeld bespreekbaar achtte. In de media verwees men in dit verband naar de wanverhouding die heden bestaat tussen de subsidie die de katholieke kerk ontvangt in vergelijking met andere monotheïstische religies. Als voorzitter van de religieuze organisatie Werkgroep Traditie v.z.w., onderafdeling van de op IJsland en in de Scandinavische landen als officiële religie erkende Asatrú, leg ik er de nadruk op dat de z.g. kerkbelasting voor elke religie dient te gelden, ongeacht of die erkend is of niet, zoniet riskeert men weerom een wanverhouding te creëren tegenover de niet-monotheïstische godsdiensten (hindoeïsme, boeddhisme, maar ook Asatrú). Indien men enkel de erkende religies op het oog heeft, dan dient de wet op de erkenning dringend aangepast te worden. Ik hoop, Mevrouw de Minister, dat u deze materie ter harte zult nemen en iedere vorm van discriminatie uit onze multi-religieuze samenleving zult bannen.

Met hoogachting,

Koenraad Logghe