De gelaagdheid van symbolen 

Koenraad Logghe - Werkgroep Traditie vzw

Dames en Heren,

In de Innerlijke Kring van de Werkgroep Traditie v.z.w. heb ik een theoretische voorbereiding gegeven op het ‘symbool’ opdat vanuit deze theoretische basis de leden zich zouden kunnen richten op specifieke thema’s in de symbolenkunde. Het resultaat vindt u beneden aan onze stand. Hetgeen ik als inleiding uiteenzette, zal ik – sterk samengevat – ook aan u meedelen zodat we van daaruit enkele specifieke gevallen kunnen bestuderen. 

Het symbool verschilt van een teken in die mate dat dit laatste eenvoudigweg een willekeurige conventie is die noch de betekenisgever, noch het teken zèlf raakt. Het transformeert de mens dus niet, en het teken doordringt hem ook niet. Het symbool daarentegen vooronderstelt een eenheid tussen enerzijds de betekenisgever en anderzijds het symbool als een ordenende dynamiek. De weerslag van de invloed van het symbool is een voortdurende bewuste of onbewuste doorwerking in onze persoon, een soort verdieping, een verfijning, een raken van wat ik de essentiële mens zou willen noemen – een raken van de diepste kern van de mens. Het symbool is dan ook daadwerkelijk transformerend. 

Daarenboven vormt het symbool inwendig bij de mens geestelijke structuren, geestelijke ‘denk’patronen, een soort religieuze blauwdruk. En het richt hiermee de ganse mens naar zijn kern, naar zijn ‘essentieel zijn’ door op te treden als een soort motor die gestuwd wordt vanuit de metafysische Principes – Principes die onveranderlijk een spil vormen in de geestelijke opgang van de mens. 

Geregeld ontmoet ik mensen die stellen dat ze heiden zijn en dat ze die ganse poespas van ritualiteit en blablabla niet nodig hebben. Ze kunnen zowat gezien worden als  protestanten onder de heidenen. Maar blijkbaar hebben ook protestanten symbolen en rituelen nodig, ook al zijn ze tot een minimum gereduceerd en lijken hun kerken op witgekalkte graven. Dat geldt steevast ook voor deze protestant-heidenen, want ik raad u aan, beste mensen, er maar eens op te letten of ze rond hun hals niet één of ander symbool dragen, of binnen in hun huis, bv. boven de schouw, niet duidelijk een religieus symbool opgehangen hebben. Neem het van mij aan: elke mens leeft met symbolen, of hij dat nu wil of niet! Toen Porphyrius aan de grote ingewijde van de Egyptische mysteriën en één van de belangrijkste pythagorezen, nl. aan Iamblichos, vroeg waarom beeltenissen van Goden niet geweerd werden, verklaarde die dat men niet van iedereen kan verwachten dat ze op hetzelfde niveau van eenheid met het Goddelijke Wezen staan en dat sommigen opstapjes nodig hebben om tot andere inzichten te komen. Vandaar, beste mensen, dat mijn eigen definitie van symbolen hierop inpikt.

Voor mij zijn symbolen als het ware trappen van een ladder (de z.g. Scala Perfectionis), een ladder die reikt tot aan de Essentiële Wereld. Het wegnemen van die symbolen zou zoveel betekenen als het wegnemen van de ladder waarmee we in de Godenwereld kunnen komen. Tot daar, mijn theoretisch gedeelte. 

Chronologische gelaagdheid  

Bekijken we nu eens enkele voorbeelden uit de praktijk. In mijn boek Tussen Hamer en Staf – voorchristelijke  symboliek in de Nederlanden had ik er reeds op gewezen dat door de verschillende opeenvolgende cultuurlagen een symbool niet noodzakelijk verdrongen wordt, maar ook opgenomen kan worden in de recentere religieuze stroming. Daarbij kan de betekenis óf gelijk blijven, óf opnieuw geïnterpreteerd worden en bovenop de oude betekenis geplaatst worden, óf ook nog totaal gewijzigd worden. Bij ons zijn deze culturele/religieuze lagen gedeeltelijk bekend. Er is de ver terugreikende prehistorische laag met de Grote Moeder-cultus, schitterend besproken door Marija Gimbutas. Er is een vermoedelijke pre-Europese laag waar weinig over geweten is, behalve dan dat ze in conflict trad met de Indo-Europese veroveraars. Dit conflict is bekend bij de Noordse volkeren als de Azen-Wanen-strijd, bij de Kelten als het gevecht tussen de Túatha Dé Dánann en de Fomoren, bij de Romeinen  de strijd tussen de Romeinen en de Sabijnen, bij de Indiërs als deze tussen de Pandava en de Kauruva. Stuk voor stuk volgen deze verhalen dezelfde structuren en leiden ze tot een versmelting van beide beschavingen. Het onderwerp werd op afdoende wijze bestudeerd door religiewetenschappers zoals Georges Dumézil en Jarich Oosten. Dan is er de Indo-Europese laag die in onze streken uiteenvalt in een Keltische, een Germaanse en een Romeinse. En de laatste cultureel-religieuze laag die daar bovenop komt is deze van het christendom, bij de Indiërs en Iraniërs daarenboven ook nog gedeeltelijk de islam. Het onderzoek naar deze doorstroming is verspreid over religiewetenschappers, folkloristen, kunsthistorici en semiotici. 

Typologische gelaagdheid  

Als ik over gelaagdheid spreek, wil ik het niet enkel over chronologische gelaagdheid hebben, gelaagdheid in de tijd dus. Er bestaat ook zoiets als een typologische gelaagdheid, een gelaagdheid in betekenis-interpretaties. Dat volgt sowieso reeds uit de teksten. Iedereen weet zo stilletjesaan dat de naam van de kosmische boom bij de Noordse volkeren, de Yggrdrasill, uiteenvalt in Yggr en drasill, waarbij Yggr één van de namen van Odhínn, de Oppergod, is terwijl drasill vrij vertaald kan worden als ‘paard’. En het ros van Odhínn is het achtbenige paard Sleipnir. Dat paard en boom hier gelijkgesteld worden is geen toeval. Ook in de Indische traditie is de naam van de centrale kosmische boom, de Ashvatta, uiteen te trekken in Ashva en ttha, waarbij Ashva paard betekent. En als men dan weet dat Odhínn gedurende negen nachten aan de kosmische boom hangt, ‘zelf aan mezelf gewijd’ zoals hij het uitdrukt, dan lijkt dat sterk op een authentiek sjamanistisch ritueel zoals we die heden  nog in Siberië aantreffen. Door dit inwijdingsritueel, het gehangen worden in een boom, komt de noviet tot het Goddelijke. De boom wordt trouwens gezien als de band tussen Goden en mensen, als een soort stang die door de negen regionen leidt tot in de hoogste wereld. Later, als de noviet een volwaardige meester-sjamaan geworden is, zal hij deze opgang naar de hogere regionen herhalen door schokkende bewegingen te maken op een stok waarop een paardenhoofd prijkt, alsof hij op de rug van een paard zit.  Komt daar nog bij dat het paard van Odhínn ook als windroos gezien wordt, een rad met acht benen, waarvan de naaf Odhínn zelf is, dan begrijpt men dat het hangoffer van Odhínn in zijn esoterische betekenis gezien kan worden als een terugkeer naar de Essentie (herinner u ‘zèlf aan mezelf’), een terugkeer naar de kern, naar het Centrum – een centrum dat steeds weer symbolisch afgebeeld wordt als een Kosmische boom, band tussen hemel en aarde of nog als Wereldas. De negen nachten kunnen gezien worden als het doorschrijden van de negen werelden, waarvan acht in wording zijn en één centraal staat: vandaar dat Odhínn op het paard zich ‘zelf aan zichzelf’ wijdt, d.w.z. Odhínn vertegenwoordigt hier deze negende wereld of de wereld van het Zijn. De toehoorder bemerkt onmiddellijk de complexiteit die bepaalde beelden, symbolenconstructies of -structuren kunnen aannemen, en dat het geen eenvoudige taak zal zijn om hierin klaarheid te scheppen. 

Sympathetisch verband  

Typologische gelaagdheid ontstaat door associaties van beelden, woorden, kleuren, vormen en dergelijke meer. In de volkskunde is dit principe goed gekend als het sympathetisch verband. Een voorbeeld uit de christelijke traditie zal dit onmiddellijk duidelijk maken. Sinte Cornelius is de patroonheilige van het gehoornde vee. Waarom? Niet direct omdat hij effectief iets met vee te maken zou gehad hebben, maar omdat zijn naam het woordje corne (hoorn) bevat. Sinte Lucia houdt verband met de midwinterzon, met het licht, haar naam is dan ook afgeleid van lux (licht). Dat zijn dus duidelijke voorbeelden van sympathetische woordverbanden die we kunnen aantreffen in de volkstraditie. Mythen werken volgens gelijkaardige principes. Heimdallr is de God die bovenop de hemelbrug Bifröst staat, een brug die door sommige mensen verkeerdelijk met de regenboog wordt geïdentificeerd. Deze brug wordt ook Gjallar-brug genoemd, want zij loopt over de rivier Gjöll. Iedereen die ietwat thuis is in de Noordse traditie weet ook dat volgens de mythen Heimdallr over een hoorn beschikt, de zg. Gjallar-hoorn, waarmee hij – van zodra hij bemerkt dat de Reuzen de hemelse regionen willen bestormen – de Goden oproept tot de eindstrijd. Er lijkt evenwel een band gesuggereerd te worden tussen beide bogen: de brug vormt een convexe boog, de hoorn een concave boog. Symboolkundig en volgens de religieuze interpretatieprincipes staat de convexe boog voor de invloed van het Goddelijke die op aarde neerstroomt; de concave boog voor de mogelijke invloed van het aardse op de Hemelse Sfeer. In die optiek is het tekenend dat de Gjallar-hoorn van Heimdallr het symbool van de Ragnarökr of Godendeemstering is (een soort heidense Apocalyps dus), terwijl de Bifröst-brug de opgang van de zielen naar de hemelse regionen vertegenwoordigt (een heidense versie van de verlossing). Beide symbolen en inhouden zijn bijgevolg elkaars spiegelbeeld. 

Er wordt dus een subtiel spel gespeeld van woorden en beelden en dat maakt het voor ons niet eenvoudig. Maar we moeten niet wanhopen. Kijk naar de gevatte en ingewikkelde symboliek van de katholieke kerk. Door haar volgelingen vertrouwd te maken met de beeldspraak van haar leerstellingen is zij er voor een relatief lange periode in geslaagd – of we dat nu graag horen of niet – de mens te binden aan enkele facetten van haar religieuze ervaringswereld. En geloof me vrij, dit kwam niet zomaar door haar theologische analyses. Sommige strekkingen binnen de kerk achtten het nodig de kerkgebouwen om te vormen tot sprekende bouwwerken, pareltjes van symbolistische kunst. Dat had zijn effect. Daarenboven is er de ultramontaanse strekking die gedurende een behoorlijke periode in onze streken sedert de contra-reformatie de mens het gevoel gaf dat volkse tradities, beelden die sedert onheuglijke tijden ingebed waren in het volk, belangrijk waren, gekoesterd en gecultiveerd moesten worden. Het zijn dorpspriesters als Poirtiers en Gezelle die daarvoor verantwoordelijk zijn. 

We zullen ons in het verdere betoog richten op de Noordse visuele traditie om de chronologische en typologische gelaagdheid te bestuderen, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat we ons ook zijsprongen naar andere Indo-Europese culturen zullen veroorloven – voor zover ze voor ons relevant zijn. 

We hebben hierboven kort het symbool van de Yggrdrasill, zoals het voorkomt in de Völuspá, besproken. De voorstellingswijzen van  deze centrale boom zijn alomtegenwoordig en vinden we onder tal van varianten terug. Ik stel voor dat u de symbolentafel achteraan in de syllabus erbij neemt, zodat u gemakkelijk kunt volgen. Vooraf wil ik er op wijzen dat de afbeeldingen uit zeer uiteenlopende tijden stammen en van erg verschillende culturele gebieden. Dit wijst er reeds op dat de symboliek niet louter Noords is, of zelfs Indo-Europees, maar dat er een doorstroming is vanuit andere tijden en culturen en dat deze symbolen opnieuw geïnterpreteerd en geïncorporeerd werden in de eigen religieuze voorstelling. 

De Grote Moeder 

In tegenstelling tot wat de meesten zouden denken, is de picturale voorstelling van de levensboom of kosmische boom niet ontstaan vanuit het aanschouwen van de boom in de natuur. En vermoedelijk zullen de vroegste afbeeldingen ook een volkomen andere inhoud vertolkt hebben. Overlopen we eens de evolutie, zoals ik ze voor u gereconstrueerd heb. De oudste voorstellingen (fig. 1-9) dateren grofweg uit het 3de millenium v.o.j., dit betekent, beste mensen, ongeveer zo’n 5.000 jaar geleden. U kunt zich gemakkelijk voorstellen dat in zo’n tijdsspanne het afgebeelde alsook de inhoud gemakkelijk kan fluctueren. Nemen we gewoon de periode van de middeleeuwen tot nu: hoe denkvormen, wijzen van afbeelden en grondgedachten achter bepaalde symbolen veranderd zijn! Wie kent er nog de betekenis van de zon- en maanboom uit de middeleeuwen, de groene en de droge boom, de Rijksboom, de rechtsboom, de galgenboom, de boom van kennis, de 18de eeuwse vrijheidsboom... ? U merkt al vlug dat er een enorme verscheidenheid aan interpretatiewijzen bestonden die mettertijd verloren zijn gegaan of voor andere doeleinden werden ingeschakeld. In het verleden zal dat niet anders geweest zijn. De afbeeldingen 1 tot en met 4 wijzen ontegensprekelijk op vrouwenfiguren, misschien wel op sculpturen van de Grote Moeder, schenkster van alle leven. Opvallend telkens weer: de overbenadrukking van de borsten en de vagina om een specifiek idee weer te geven: het verschaffen van melk – levensdrank, of het schenken van leven – het mysterie van de geboorte. Op afbeeldingen 5-9 merken we dat volumes ook gestileerd weergegeven zullen worden, en we krijgen de indruk dat er betekenisverschuivingen plaatsvinden. Soms lijken de voorstellingen op vreemdsoortige bomen, stangen met twee cirkels, vereenvoudigde gezichten... In combinatie met andere symbolen wordt het onduidelijk of we nu met borsten, met ogen van een aangezicht, dan wel met een volkomen andere voorstelling te maken hebben. Misschien kunnen de stralende cirkels in figuur 5 de interpretatierichting aangeven. 

De beide ogen van de Oermens 

We zullen, naarmate de evolutie verderschrijdt, vaststellen dat voornoemde cirkels hun belangrijkheid zullen behouden, niet zo direct meer als borsten, maar als de abstracte voorstelling van een kosmologisch idee. De onduidelijkheid over het afgebeelde wordt nog versterkt bij de lineaire stileringen. De beide punten gaan een eigen leven leiden, borsten of ogen, om ‘t eender, maar ze hebben een betekenis (figuren 10-20). Dat wordt duidelijker als we beseffen dat in alle Indo-Europese mythen de ogen gezien worden als een symbool voor nacht en dag, winter en zomer, of anders uitgedrukt voor de maan- en zonzijde. Vermits uit de schedel van de Oermens Ymir het hemelgewelf werd geschapen (Grímnismál 38) ligt het voor de hand dat de ogen van Ymir maan en zon vertegenwoordigen. Hetzelfde vinden we trouwens bij de Oermens P’ankou uit de Japanse traditie of die van de Indische Vaishvanara. In een ander verhaal, het Hárbarzljód (v.19), vertelt Thórr hoe hij de reus Thiazi doodde en zijn ogen aan het hemelgewelf plaatste. En de functie van beide ogen aan het firmament heeft betrekking op het meten van de tijd: 

“Mundilferi heet

de vader van de maan

en eveneens van de zon;

aan ’t hemelgewelf

went’len zij rond

om voor mensen te meten de tijd.”

(Vafþrúðnismál 23)

Zon en maan draaien onophoudelijk rond de kosmische boom, de boom die het Al samenhoudt en die voor die gelegenheid ook ‘maatboom’ (mjötvið) genoemd wordt, een boom waarlangs of waarmee tijd en ruimte worden gemeten. Pictografisch zullen we dan ook benevens zeer primitief gekerfde mensenfiguren met borsten, stangen met 2 cirkels bemerken, of figuren waarbij de cirkels – althans in onze voorbeelden – van de menselijke gedaanten (vrouw of man) gescheiden zijn en reeds volkomen de nieuwe kosmologische idee vertolken (figuren 21-23). Deze symboliek zal blijven doorwerken tot in recentere tijden waar we bijvoorbeeld op een wapenschild van 1471 van Jacob Couthals uit Basel een zuil bemerken met links en rechts een cirkel, het geheel omgeven door drie pentakels (fig. 23a). De centrale stang kan ook de gedaante van een riek aannemen, op die wijze de takken van een boom symboliserend, zoals hier op een wapen van 1527 van een zekere Cornelis Hillegheer uit Melsele (23b). Een van de mooiste voorbeelden waaruit blijkt dat symbolen blijven doorwerken, ook al krijgen ze een andere betekenis, treffen we aan op een grafzerk uit de 19de eeuw uit Neuvorpommern. Het kruis neemt er de oude niet-christelijke vorm aan, en de twee cirkels werden behouden (fig. 23c). De overkapping van het kruis zal voortaan integraal deel uitmaken van de symboliek, ook al weet men heden niet waarom en sommigen zullen beweren dat dit een afscherming is tegen de regen. 

Beide slangen 

Merk op dat in bepaalde gevallen ook slangen een rol spelen (bv. fig. 22). Zij lijken te duiden op het wenden, keren, draaien van het rad van de zon. In het woord slang zit trouwens ‘sling-eren’ vervat, of ‘sling’ (een lus). In veel gevallen wordt de slang gewoon eenmalig als een gestileerde S afgebeeld over de stang heen (fig. 24-31); in andere gevallen als een dubbele S aan weerszijden van de centrale stang of  van een antropomorf figuur of een figuur met dezelfde vorm (bv. een opwiekende vogel fig. 32-34)  Het keren of wenden van de zon gebeurt aan de zonnewendepunten. Vandaar dat een andere wijze van voorstellen de hoogste en laagste stand van de zon zal aangeven, symbolen van leven (onsterfelijkheid) en dood (of regeneratie), in welbepaalde voorstellingen verbonden door een wentelend rad. De slangen of spiralen aan weerszijden van dat rad geven dan de kering aan volgens heel specifieke stadia. In de christelijke tijd zal deze oude symbolische voorstelling geënt worden op het verhaal in Genesis omtrent de verleiding van Eva door de slang langs de Levensboom. Maar de S langsheen het kruis krijgt er een nieuwe betekenis, zijnde deze van het woord Salvator (Verlosser) waardoor de oude idee van de wending van de Zonnegod naar de hemelse regionen als symbool voor de onsterfelijkheid in ere hersteld wordt. (fig. 35) De idee van Christus als de oude heidense Sol Invictus of  Onoverwinnelijke Zon herkennen we dan ook in de traditionele zegestandaard van deze christelijke God. (fig. 36) Dat het hier wel degelijk om een oude zonnesymboliek gaat bewijst figuur 37 waar de drie bergen van Golgotha afgebeeld staan, met erboven het Hagal-kruis, in christelijke zin geïnterpreteerd als de samenstelling van de Latijnse letters LUX (l=stang, u of v = bovenste deel van x, en de x), en in de bergen de S-vorm met aanduiding van de hoogste en laagste zonnestand. Het best gekend uit de christelijke tijd zijn de vele graven met centraal het kruis – een symbool dat door Origines gelijkgesteld wordt met de heidense boom – en aan beide zijden de veel voorkomende slinger-motieven (fig. 38). Iedereen zal nu wel doorhebben dat het niet om een christelijke voorstellingswijze gaat, maar om een oeroude traditie die – na veel omzwervingen – tot ons is gekomen. Dat kunnen we ook opmaken uit twee voorbeelden, de ene afkomstig uit papiermerken van Hugenoten (fig. 39), de andere uit de Friese volkskunde (fig. 40), die, zoals we weten, wel meer verwijzingen naar heidense afbeeldingen bevat. De slang is er vervangen door een zwaan, de typische begeleider van de Zonnegod bij de Indo-Europese volkeren. Het sympathetisch vorm-verband speelt hier volop. Zo kunnen de slangen/zwanen ook door vissen vervangen worden en de boom door een gebladerd ankerkruis, zoals op vroegchristelijke zegels: de vissen zijn het symbool van de verlossende Christus, het anker verbeeldt het verankerd zijn in het geloof en het kruis op de verlossing (fig. 41). Vergelijk dat alles eens met de runensteen uit  Årsunda (fig. 42). Daar vormen de twee hoofden van één omsluitende slang de twee spiralen. De runen op de slang duiden – net zoals de sanskrietletters bij de Indiërs – op de systematische schepping en ontvouwing van de wereld vanuit de prima materia (slang). Bovenop de boom, in de kruin, de verblijfplaats van de Goden en gelijk te stellen met het zomerzonnewendepunt, bemerken we kinderfiguren (eeuwige jeugd). De boom eindigt onderaan in een hart, symbool van Moeder Aarde (winterzonnewende). En centraal in de boom zien we het kruis of het wereldrad, symbool voor de Middenwereld. De ganse steen geeft in essentie de volledige kosmologische visie van de Noordse religie weer. Gelijkaardig zijn letterpanelen zoals we die vroeger in spekulaasvormen aantroffen. Een Fries voorbeeld illustreert wat we hiervoor gezien hebben (fig. 43). De letters kunnen opgevat worden als de systematische ontplooiing van de wereld (via de runen in de Noordse traditie, via de Logos in de christelijke traditie). Vandaar de christelijke uitdrukking ‘In den beginne was het Woord...’ Centraal bemerken we een cirkel (het wereldrad?) met daarboven nog vaag de takken van de kosmische boom. Aan weerszijden de spiralen van de wending. Rechts, aan de zijde van de opgang naar de Goden, zien we een jonge figuur met het hoofd van de zon. Links een oude gebaarde man. Het voorkomen van beide spiralen aan weerszijden van het wereldrad is een symboliek die tot op heden behouden is. Ziehier een voorbeeld uit Indonesië (fig. 44) en één uit Skedala (Zweden) (fig. 45). Dat deze slang-afbeeldingen een heel specifieke betekenis moeten gehad hebben, kunnen we afleiden uit de talrijke stenen die gevonden werden in Schotland (fig. 46), stilistisch zondermeer van Pictische oorsprong, maar ter plaatse in opdracht van de Noordse koningen en heersers vervaardigd. Aan onze stand vindt u uitleg over twee soortgelijke stenen. 

De twee horens  

We hebben kunnen vaststellen dat het sympathetisch vorm-verband een grote rol speelt in de voorstellingswijzen. Eén van de mooiste voorbeelden om dat te illustreren komt van de oud-Noordse boerenkalenders die tot in de 17de eeuw werden gebruikt. Om de joelperiode aan te duiden wordt centraal een boom of kruis afgebeeld, met aan weerszijden een hoorn (fig. 47). Deze horens vervangen de slang. In sommige gevallen vinden we twee horens en een stralend Christus-kind. De rechtse hoorn straalt eveneens, dit om aan te duiden dat deze zijde de opgang symboliseert, de dag- of zomerzijde (fig. 48). Deze symboliek is oeroud, want in het graf van de Frankenkoning Childeric in Doornik vond men een stierenkop met, tussen beide horens, een enorm rad boven een gestileerde boomstang (neus van het dier) (fig. 49). De stierenkop is het symbool van de God Thórr – alsook van zijn Indische tegenhanger Indra, de bevrijder van de Zon. Thórr gaat vissen naar de Midgaardslang door middel van een stierenkop, zijn gedonder lijkt op het gebulder van een stier... Eén van de manifestaties van Indra is Vishnu waarover de Rig-Veda stelt: “Vishnu, de stier, die in de bergen verblijft...” (RV I, 154). Het vervolg van dit citaat zal onze beeldspraak nog heel wat verduidelijken. We komen hierop terug. 

De Vogel  

De centrale stang kan verscheidene vormen aannemen, vormen die stuk voor stuk cultureel-mythisch bepaald zullen zijn en hun functie zullen vervullen in welbepaalde ritualen. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de stang als opwiekende vogel op de achterzijde van de rituele trommel van de sjamaan (fig. 23). De beide cirkels blijven gehandhaafd. De meester-sjamaan raakt in vervoering bij het slaan op de trommel, daar dit instrument gemaakt is uit het hout van de kosmische boom. Het trommelgeluid staat gelijk met de stem van de God, een stem die steeds luider gaat klinken naarmate de sjamaan langs de denkbeeldige stang naar de Godenwereld opwiekt, of concreet: in extase raakt. De iconografische voorstelling van de boom met beide cirkels en/of slangen werd reeds heel vroeg, in de Babylonische tijd, gerelateerd aan een mythische vogel die twee slangen in de klauwen houdt. (fig. 34) In latere, christelijke, tijden zal de opwiekende adelaar iconografisch geïdentificeerd worden met de centrale boom, het kruis of Christus zèlf. De klauwen en staart van de adelaar zullen de wortels vertegenwoordigen, de vleugels de vergeestelijking (fig. 50). Centraal bemerken we drie cirkels met daarboven een kruis. Sommigen menen hierin de Drie-Eenheid te moeten herkennen. Vanuit christelijk oogpunt is dat best mogelijk, maar de oud-heidense voorstelling heeft deze uitbeelding ongetwijfeld beïnvloed. Tot dit besluit zullen we noodgedwongen komen, bij de bestudering van de stappen van de zon. 

De Boog 

In de Pyreneeën verschijnen op de rand tussen heidendom en christendom rotskervingen die nogal sterk doen denken aan jachttaferelen. Maar schijn bedriegt. Veelal worden jachtinstrumenten gebruikt om heidense vorm-symbolen voor één of andere reden te benutten (bv. heidense rituelen?), en deze komen soms voor in samenhang met christelijke monogrammen en symbolen. Een dikwijls afgebeeld instrument is de opgerichte boog. Zoals men onmiddellijk bemerkt vertoont de opgerichte boog veel gelijkenissen met de kosmische boom (fig. 50a). Bij de schuttersgilden, die onder een christelijke patroonheilige opereerden om een oud-heidens zomerzonnewende-ritueel uit te voeren, was de boog niet zomaar een schuttersinstrument. Het was ook een vormelijk symbool waarmee de koningsvogel op haar hoogste stand naar beneden werd gehaald, net zoals Balder, de Zonnegod, door Hödur werd getroffen tijdens een spel en dood neerzonk. Zo begon de gestadige ondergang van de Zon naar de onderwereld tot en met winterzonnewende. Het voorkomen van een kruisboog in deze opgerichte stand op het wapen van Andries van Hese uit Belsele kan daarmee verband houden (fig. 50b).  

De Ypsilon 

Een andere bijzondere voorstellingwijze is deze van de letter Y. Ik heb er reeds op gewezen dat de ogen van de Oermens Ymir dienst deden als zon en maan. In dit opzicht zijn de afbeeldingen van een hoofd met twee benadrukte cirkels of ogen niet ongewoon. De wenkbrauwen fungeren dan als takken, de neus als centrale as (zie bv. fig. 8/9/13...). Merkwaardig wordt het als deze antropomorfe voorstelling vervangen wordt door een letter Y. In de Indo-Europese traditie is er iets heel bijzonders met deze Y. Ymir is de eerste sterfelijke mens. Zijn naam begint met een Y. In de Indische traditie is de God van de dood, Yama, eveneens beginnende met de Y. In de Perzische traditie kennen we de eerste sterfelijke koning, Yima, beginnende met de letter Y. De sterfelijkheid lijkt er te komen als gevolg van een tweespalt. Dit valt op te maken uit andere bronnen. De Romeinse schrijver Tacitus beweerde in zijn De Germania dat onze voorouders in hun oude gedichten “de God Tuisto, de Aardgeborene, en zijn zoon Mannus, als vaders en stichters van hun natie vieren.” Dat deze stichter Tuisto als God betiteld wordt is niet merkwaardig daar de Oervader in alle culturen werd vergoddelijkt. Deze Oervader heet dus Tuisto, een woord dat verwant is met ons Nederlandse twist, wat duidt op tweespalt. Tuisto is niemand anders dan de Westgermaanse tegenhanger van Ymir. Het belang van de letter Y is niet enkel af te leiden uit etymologische interpretaties. De meesten zullen deze letter kennen via de leerstellingen van Pythagoras. Hij zag er de twee wegen in, de ene van de deugd en de andere van de ondeugd, als twee takken aan een stang. Bij Pythagoras leidde de ene weg naar de onsterfelijkheid, de andere naar de vergetelheid. De Ypsilon werd door hem het grámma filósofon genoemd. Het is dan ook treffend dat in de Indische traditie de twee wegen bekend staan als dêva-yana en pitri-yana, de weg van de Goden en deze van de Vaderen, en Yana (weg) begint met een Y. Dezelfde gedachte wordt in de Romeinse traditie vertegenwoordigd door de God Janus, de God met beide gezichten, en waarbij de Y vervangen werd door een J of I. De beide wegen toegeschreven aan deze God waren Janua Caeli (de weg van de hemel) en Janua Inferni (de weg van de Onderwereld). Zelf heb ik aangetoond dat ook bij de Germanen deze tweedeling bestond als de weg van de Goden en deze van de Reuzen. De symboliek ging over in het christendom als de twee St.-Jans: zomer-Sint-Jan en winter-Sint-Jan, overeenkomstig beide uiterste punten van de zon, de twee solstitiae. Ook hier zien we de J in de plaats treden van de symboolkundig correctere Y. In de middeleeuwen zal het symbool voortdurend in moraliserende zin gebruikt worden, dit terwijl de Y vermoedelijk aanvankelijk slechts symbool stond voor dood en herleving, een inwijdingssymbool dus. Het heeft trouwens veel weg van een galg, en het zal als zodanig ook meermaals worden betiteld. Vergeet in dit verband niet dat Odhínn ook als Galgengod bekend staat en dat de ritueel gehangenen aan Hem gewijd waren. Een mooi moraliserend voorbeeld is dat van de humanist Tory uit de 15de eeuw, waarbij de beide takken van Y in dikte verschillen (fig. 51). De linkse tak, de brede weg, leidt naar de roede, de gesel, de strop, het zwaard en de brandstapel. De rechtse tak, de smalle weg, leidt naar de lauwerenkrans, de scepter, de kennis (boek) en de kroon. We vinden de Y in onze streken ook nog terug in locale wapenschilden, zo bijvoorbeeld dat van de familie de Langhe van Waasmunster, een wapen uit 1606 (fig. 52). Merk op dat de cirkels zich kunnen voordoen als zespuntige sterren, het zonnesymbool bij uitstek. 

De Galgenboom  

We hebben er voorheen reeds op gewezen dat Odhínn gedurende negen nachten aan de Kosmische boom, aan de Yggrdrasill hangt. In die zin doet de boom dienst als een galg. Het gehangen worden in de boom werd door antropologen als initiatieritueel bij de Siberische sjamanen vastgesteld. Hoeft het ons dan te verwonderen dat er vanuit het christendom gelijkenissen getrokken zullen worden tussen het hangoffer van Odhínn en dat van Christus aan de kruisboom? Origines schreef reeds dat er geen onderscheid is tussen de heilige boom van de heidenen en het kruis bij de christenen. Dat wordt ook bevestigd in de Middelnederlandse geschriften waar in ’t Boec vanden Houte Christus gehangen wordt aan het hout van de paradijsboom dat via omzwervingen op Golgotha terecht komt. Het aantreffen van gebladerde kruisbomen zal deze visie enkel maar versterken (fig. 41 en fig. 53). Afbeeldingen van de kruisboom waaraan Christus komt te hangen (fig. 54) lijken dan ook bijzonder sterk op de traditionele Irminsúl, de Kosmische Zuil van de Saksen, een zuil die, volgens christelijke bronnen, door Karel de Grote omver werd gehaald om er een kruis op te plaatsen. Op een gedenksteen bij de Externsteine staat dit gebeuren afgebeeld. 

De gehangen God komt ook voor op de merkwaardige runensteen van Jelling, hier voorgesteld als een gekruisigde Christusfiguur (fig. 55). De persoon lijkt gebonden in een wirwar van knopen. Het spreekt voor zich dat het om een Indo-Europese beeldspraak gaat want Odhínn is de Knopengod bij uitstek, net zoals dat ook het geval is voor zijn Indische tegenganger Varuna. Beiden binden en ontbinden, beiden beschikken over leven en dood, beiden zijn zegevierders over de dood. En dat geldt ook voor Christus. Merkwaardig is dan ook dat de drie kruisen op de Golgothaberg, te zien op sommige graven, zich verstrengelen tot een soort knoop (fig. 56) en dat daarmee de indruk gewekt wordt dat de heidense gedachte van de Knopengod zich gelinkt heeft aan het christelijke ideeëngoed. Op de achterzijde staat, opmerkelijkerwijze, een zonnerad.  

Beide Raderen  

Fundamenteel in het ganse gedachtengoed van de Indo-Europese traditie is dat van het paard. Paard en boom worden met elkaar verbonden en blijken min of meer dezelfde idee uit te drukken (fig. 57). Terwijl de boom een statisch symbool is, de onbeweeglijke spil van het universum, waarrond de zon zich beweegt, is het paard het bewegende equivalent, het Goddelijke dier dat de Zonnegod van het Oosten naar het Westen vervoert en van Zomerzonnewende naar Winterzonnewende. Het paard is in dit opzicht gelijk te stellen aan het draaiende rad; het is het dier dat de kar van de Zonnegod trekt, een kar gesymboliseerd door beide wielen verbonden met een stang (fig. 58-64). Hierover is de Indische traditie trouwens zeer duidelijk: daar wordt gesteld dat Hemel (zomerzonnewende) en Aarde (winterzonnewende) twee wielen van de Zonnewagen zijn, gescheiden en aan elkaar gelinkt door de kosmische boom (Jaiminîya Upanishad Brähmana I, 20, 3). De voeten die we op de afbeeldingen ontmoeten dienen zondermeer geïnterpreteerd te worden als de stappen die door de Zonnegod geplaatst worden. We merken verder ook dat de boom stelselmatig meer gestileerd wordt in de richting van een wereldrad. Het is het rad van de Wording, de voortdurende vervloeiing van zomerzonnewende naar winterzonnewende en omgekeerd, van dag naar nacht, van leven naar dood... Het zal het fundamentele symbool worden van de Keltische Rotovertorios, letterlijk van ‘Hij die het rad doet draaien’, gelijk te stellen met de Indische Cakravarti, de Rad-God bij uitstek. 

De drie stappen van de God  

En is men niet expliciet in de Noordse religie over het aantal stappen die door de Zonnegod worden gezet, toch zijn ons wel drie Goden bekend met de namen Hárr (hoge), Jafnhárr (evenhoge)  en Thridi (derde), Goden die mogelijkerwijze te maken hebben met de drie standen van de zon: zomerzonnewende, evening en winterzonnewende. Ook hier snelt de Indische traditie onster hulp. We hebben hierboven Vishnu als manifestatie omschreven van Indra. Nu zal ik het citaat uit de Rig-Veda vervolledigen: “Mag mijn gebed nu opklimmen tot de ver-reikende Vishnu, de stier, die in de bergen verblijft, mijn gebed tot hem die zonder hulp in drie stappen de verste sferen meet. […] Alleen hij onderhoudt de drie sferen – Aard  en Hemel en alle levende dingen.” Steeds weer is er sprake van Vishnu tripada, de drievoetige Visnhu, drie stappen waarmee Vishnu het heelal meet. En deze drie stappen omvatten Hemel (zomerzonnewende), Aarde (winterzonnewende) en de Middenwereld van de levende schepselen (evening). Dat zijn de drie stappen, beste mensen, voorgesteld als slang in S of Z-vorm gemaakt over de beide raderen van zonne-uitersten. (fig. 46). De drie stappen worden ook wel eens de drie zonnen genoemd en verzinnebeeld door drie punten of cirkels omheen het wereldrad (fig. 65-66). In onze Vlaamse familiewapens vinden we hiervan de echo. Het wapen van Mathias Suy uit Sint-Niklaas (1571) toont een swastika met rond drie hakenbenen telkens een molensteen, symbool van de vervloeiing, van de wending, van de wording (fig. 67). Op het winterzonnewendepunt evenwel bemerken we een eikenblad of een gestileerde boom, zinnebeeld van herleving en onsterfelijkheid.  

We zouden deze voordracht kunnen blijven uitbreiden met voorbeelden en verklaringen, hetgeen niet onmiddellijk onze bedoeling is. Ik heb enkel gepoogd aan te tonen hoe symbolen uit de vroegste tijden tot ons zijn gekomen, en in hun omzwervingen inhoudelijke en vormelijke veranderingen hebben ondergaan. Dat betekent echter niet dat deze symbolentaal voor ons definitief verloren is gegaan. Indien we erin slagen om ons de structurele en inhoudelijke principes eigen te maken, zullen we in staat zijn om onze religieuze ideeën aan de hand van voldragen afbeeldingen een gedegen basis te geven. 

Dames en heren, u was een aangenaam publiek. Ik dank u voor de aandacht waarmee u mijn referaat hebt gevolgd. Dat de Goden u mogen behoeden!   

Koenraad Logghe 

Werkgroep Traditie vzw

Bibliografie van de benutte bronnen    

Jean ABÉLANET, Signes sans Paroles – Cent siècle d’art rupestre en Europe occidentale, Hachette, Paris, 1986  

Harold BAYLEY, The Lost Language of Symbolism, Carol Publishing, New York, 1993  

H.J. BOCKSTAL, Wapenboek van het Land van Waas, Familia et Patria, Handzame, 1967  

Ananda K. COOMARASWAMY, L’Arbre Inversé, Archè, Milano, 1984  

Steven DE BONDT, Zonnesymboliek in de Europese Protohistorie, thesis aan de Rijksuniversiteit Gent, Academiejaar 1997-98, drie delen.  

Franz DORNSEIFF, Das Alphabet in Mystik und Magie, Reprint-Verlag, Leipzig, origineel van 1925  

Edda kvædi, Veröld, Reykjavík, 1985  

Edda, Goden- en heldenliederen uit de Germaanse Oudheid, vertaald en van inleidingen voorzien door dr. Jan de Vries, Ankh-Hermes, Deventer, 1980  

Louis FRÉDÉRIC, Dictionnaire de la Civilisation Indienne, Robert Laffont, Paris, 1987  

René GUÉNON, Symboles de la Science sacrée, Gallimard, Paris, 1988  

Jacob GRIMM, Deutsche Mythologie, Ullstein Verlag, Frankfurt am Main/Berlin, 1981  

IAMBLICHOS, Theurgia or the Egyptian Mysteries, translated by Alexander Wilder, William Rider & Son Ltd, London, 1911

  Koenraad LOGGHE, De Graal: tussen heidense en christelijke erfenis, Kieldrecht, 1997  

Koenraad LOGGHE, Tussen Hamer en Staf – Voorchristelijke symboliek in de Nederlanden en elders in Europa, Brepols, Turnhout, 1992  

Raimundo PANIKKAR, The Vedic Experience - Mantramanjarî, Darton, Longman & Todd, London, 1979  

Lisa SCHROETER-BIELER, Skandinavien – der Himmel über Europas Wiege, Schillinger Verlag, Freiburg im Breisgau, 1987  

Snorri STURLUSON, Gylfaginning, Texte, Übersetzung, Kommentar von Gottfried Lorenz, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 1984

TACITUS, Oeuvres Complètes, Hachette, Paris, 1889  

E.  TIERE-HOGERZEIL, Hoe men het ABC begeerde en leerde, Het Spectrum, Utrecht/Brussel, 1946  

Jacques VAN LENNEP, Alchemie, Snoeck-Ducaju & Zn., Gent, 1984  

Herman WIRTH, Allmutter, Eccestann Verlag, Marburg an der Lahn, 1974  

Herman WIRTH, Europäische Urreligion und die Externsteine, Volkstum Verlag, Wien, 1980  

Herman WIRTH, Die Heilige Urschrift der Menschheit, Verlag Mutter Erde, Frauenberg, reprint van de versie 1931

 

 

Legende bij de afgebeelde symbolen

 

1.Sculptuur uit Montemor-o-Novo (Portugal), ± 2500 v.o.j.

2.Vrouwelijk figuur, Centraal Europa, Neolitisch tijdperk - 6de-5de millenium v.o.j.

3.Torso van een vrouwelijk figuur, Fort-Harrouard (Eure-et-Loir), 2de helft van het 4de millenium v.o.j.

4.Vrouwelijk figuur, Almizaraque (beschaving van Los Millares, ± 2600 v.o.j.

5.Funerair aardewerk uit Monte do Outeiro (Portugal), stijl ‘Eye Goddess’, ± 2500 v.o.j.

6.Abstract, Aldeaguemada (Spanje), Jongere Steentijd

7.Diverse antropomorfe figuren, Puerto de las Malas Cabras (Badajoz), ± 2500 v.o.j.

8.Vat afkomstig uit Svinø (Denemarken), met de typische oogmotieven. Datum?

9.Steen uit Knockmany, County Tyrone (Ierland), Neoliticum.

10.Antropomorfe voorstelling uit Nubië Abrak (Egypte), voordynastische tijd

11.Antropomorfe voorstellingen ui Amería, ± 2500 v.o.j.

12.Gestileerd gezicht of antromorfe figuur, Val Camonica, tussen 3500 en 2800 v.o.j.

13.Gestileerde gezichten of bomen, verschillende plaatsen in Portugal, gedateerd ± 2500 v.o.j.

14.Boom- of gezichtfiguren, Cantos de la Visera (Murcia) en Callejón del Reboso del Chorrillo (Ciudad Real), ± 2500 v.o.j.

15.Stang met cirkels, La Batankra (Spanje), jongere steentijd

16.Crucifixen uit Portugal en Spanje, jongere steentijd

17.Gallisch-Portugese voorstellingen van boog- of boomfiguur, datum onzeker

18.Antropomorfe figuur, Neukirch, Tourves (Var), bronstijd

19.Antropomorfe figuur uit Portugal, jongere steentijd

20.Afbeelding van de beroemde steen van Kivik, twee figuren draaien aan een gepunctueerde stang

21.Babylonische cilinderzegel van de proto-Gilgamesh, datum ?

22.Afbeelding van de Godin Astarte-Sekhet, reliëf van Tel-es-Safy, datum?

23.Sjamanentrommel uit jet Altai-gebied. Gelijkaardige trommels bevinden zich in het Ethnografisch Museum van Antwerpen

23a.Zuil geflankeerd door twee cirkels en drie pentakels, wapen van Jacob Couthals, Basel, 1527

23b.Opgerichte riek met twee zessterren, wapen van Cornelis Hillegheer, Melsele, 1527

23c.Zerk met kruis, twee cirkels en overkapping, Neuvorpommern, 19de eeuw

24.Antropomorfe figuren met S-armen, Spanje, jongere steentijd

25.Antropomorfe figuur met S-armen uit Hovås (Noorwegen), jongere steentijd

26.Angelsaksische runen uit de 10de-11de eeuw met de betekenis ‘jaar’

27.Antropomorfe figuren met S-armen uit de Finmark (Noorwegen), jongere steentijd

28.Tak of boom die gekruist wordt door S, zegel van Platanos, ± 500 v.o.j.

29.Antropomorfe figuur met Z-arm uit Zwitserland, jongere steentijd of vroege bronstijd

30.Antropomorfe figuur met S-arm uit Mediano (Andalusië), jonge steentijd

31.Antropomorfe figuren met S-arm uit Nubië Scharab (Egypte), jonge steentijd

32.Cilinderzegel uit Mohenjo-Daro (Indië), 2500 v.o.j.

33.Caduceus-staf, steen gevonden in Clausen, datum?

34.Symbool van Uruk, Babylonië, 3200 v.o.j.

35.Kruis en S-vorm, Frans Hugenootse papiermerken

36.Standaard van de zegevierende Christus, Frans Hugenoots papiermerk

37.Hagalkruis op drie-berg met S-figuur, Frans Hugenoots papiermerk

38.Kruis en beide spiralen, Grafzerk op Föhr, 1867

39.Kruis en zwaan, Frans Hugenoots papiermerk

40.Stang en twee zwanen, traditioneel oelebord uit Sneek (Friesland)

41.Gebladerd ankerkruis en twee vissen, vroegchristelijke zegel, vermoedelijk 2de eeuw

42.barnstokkr of kinderboom op de runensteen van Årsunda, Gestrikeland, datum ?

43.St.-Niklaas-bakvorm, Westfriesland, 17de eeuw

44.Rad en beide slangen in weefornamentiek van Indonesië, datum ?

45.Rad met twee spiralen, Skedala (Zweden), late bronstijd

46. Z-vorm op een typisch Schots-Pictische steen, 8ste eeuw

47.Boom of kruis met beide horens, joelsymboliek op Noordse boerenkalenders, 17de eeuw

48.Christuskind met beide horens, joelsymboliek op Noordse boerenkalenders, 17de eeuw

49. Stierenkop met rad op stang tussen beide horens, graf van de Frankenkoning Childeric, Doornik

50.Heraldische adelaar met centraal de drie zonnen, Frans Hugenoots papiermerk

50a. Rechtopstaande boog, rotstekening Cerdagne, eerste eeuwen

50b. Rechtopstaande kruisboog, wapen van Andries van Hese, Belsele, 1605

51.Ypsilon als voorstelling van de deugd en de ondeugd, uit het werk van de humanist G. Tory, Champ Fleury, 1529

52.Befaamde Ypsilon geflankeerd door twee zessterren, wapen van Pieter de Langhe, Waasmunster, 1606

53.PX-rad met lover en beide cirkels, Rome, vroegchristelijk catacomben

54.Christus aan de kruisboom, Buch der heiligen Dreifaltigkeit, begin 15de eeuw

55.Gehangene in knopenwirwar, beroemde runensteen van Jelling, datum ?

56.Drie Golgothakruisen omgevormd tot knoop, typische zerken van Baskenland, hier uit Uhart Cise, datum ?

57.Paard, gepunctueerde boom en rad, bronzen munt van de Lexovii, een Keltische stam, datum ?

58.Rad met gepunctueerde zonnestanden, Mohenjo-Daro (Indië), datum ?

59.Twee raderen, stang en twee voeten, Bohuslän (Zweden), bronstijd 1800-1500 v.o.j.

60. Kosmologische deling, Covatillas (Spanje), jonge steentijd, en Karagouy (Bulgarije), idem

61.Twee figuren draaien een rad met twee cirkels, zwaard uit Oostenrijk, vroege ijzertijd-Halstattgrafveld

62.Rad met beide cirkels, Irbit (Siberië), steentijd

63.Twee raderen verbonden door een stang, grafsteen uit de kerk van Tørring (Denemarken), datum ?

64.Hagalkruis of zesster verbonden met twee cirkels, Frans Hugenoots papiermerk

65.Swastika of wereldrad met drie punten, Näsby (Denemarken), ± 600

66.Kruis met drie punten, Monte Bego, ± 2500 v.o.j.

67.Swastika met 3 molenstenen en 1 eikenblad of boom, wapen van Mathias Suy, St.-Niklaas, 1571