Beknopte geschiedenis van het ‘heidendom’ (deel 4)
De Germanen
Laat ons trouwens eens een kijkje nemen bij de Germaanse
volkeren, hoe de kerstening daar in z’n werk is gegaan. Vanzelfsprekend is de
verspreiding van de oosterse religieuze doctrines, en in het bijzonder die van
het christendom, mede het gevolg van de enorme volksverhuizingen. Met de
oversteek van Germaanse stammen over de Rijngrens in het Gallische gebied begint
een periode van verwarring. Rome verzwakt, en de Germaanse stammen ten oosten
van de Elbe voorbij de Weichsel tot aan de Oostzee trekken westwaarts naar
Centraal-Europa. Daardoor ontstaat er een vacuüm dat vrij vlug opgevuld wordt
door oprukkende Slavische stammen. Goten, Boergondiërs en Vandalen dolen
doorheen gans Europa, om uiteindelijk in het kerngebied van het Romeinse rijk
neer te strijken en er de klassieke cultuur over te nemen. Vanaf het
midden van de derde eeuw concentreerden zich rond de Rijn de stammen die zich
‘Franken’ noemden, een term die vermoedelijk de ‘moedigen’ betekent.
Zuidelijker groepeerden enkele Suebi zich en vormden de beruchte Alemanni,
een volk dat rooftochten door Italië en Zuid-Gallië ondernam.
Het
valt op dat de meeste van deze volkeren, die hun oorspronkelijke
nederzettingsgebied verlaten hadden om naar het westen op te rukken, vrij snel
tot het christendom zijn overgegaan. De reden daarvoor moeten we niet tè ver
zoeken. De oude religie had een verwortelde visie. Landschapselementen zoals
historische plaatsen, bomen, rivieren, bergen, kruiswegen... werden aan
mythische beeldspraak gekoppeld. Daardoor verkreeg het nederzettingsland een
sacraal karakter, hetgeen zich door de eeuwen heen verankerde in het volk. Door
het zich verplaatsen van een volledige gemeenschap ging die religieuze
beeldvorming grotendeels verloren. En in woelige tijden kan zoiets fataal zijn.
In het boek Germaanse Cultuur en
Christianisatie van Noordwest-Europa schrijft Gerrit Noort terecht: “Een
volk kiest uit overlevingsmotieven onbewust en automatisch voor continuïteit
– in welke vorm dan ook. Doet zij dat niet dan is een volledige desoriëntatie
het gevolg. Een complete breuk met het verleden leidt tot anemie.” (G.
NOORT, Germaanse Cultuur en
Christianisatie van Noordwest-Europa, IIMO Research Publication, nr. 35,
Utrecht/Leiden, 1993, pp. 69-70)
Het belang van de verworteldheid voor de volkeren van het noorden valt af te leiden uit het feit dat plaatsnamen met Godenverwijzingen bij de Noord-Germaanse volkeren zeer frequent zijn, terwijl ze bij de Zuid-Germaanse volkeren nagenoeg volkomen ontbreken. Dezelfde vaststelling kan gemaakt worden voor de recente geschiedenis. De genocide door de Teutonenorde gepleegd op de oude Pruisische bevolking – Balten met een eigen taal, cultuur, religie... – is blijven doorwerken tot in de huidige eeuw. Verduitsing, polakisering en uiteindelijk russificatie hebben ervoor gezorgd dat de herinnering aan de eigen identiteit volkomen uitgewist werd. In de communistische periode ging men zelfs zover om riviernamen, regionamen, straatnamen en dergelijke volledig te vervangen. De Pruisen lijken wel nooit bestaan te hebben, ze hebben niets meer nagelaten.
Dat
het in het oude Europa wel degelijk om een doelbewuste geestelijke genocide
ging, spreekt uit de geschriften van de christelijke autoriteiten zelf.
Gregorius de Eerste verklaarde aan abt Mellitus over de te kerstenen volkeren
van Noordwest-Europa: “Want het leidt
geen twijfel dat het voor mensen met een verhard gemoed onmogelijk is alles
tegelijkertijd af te snijden, omdat ook hij die zich beijvert om tot de hoogste
plaats op te klimmen, in kleine stapjes en niet met sprongen stijgt.” (BAEDAE,
Historia ecclesiastica gentis Anglorum,
Verlag Alfred Holder, Freiburg/Tübingen, 1882, I:30) Afsnijden van de
spirituele voorchristelijke wortels was dus in theorie mogelijk, maar in de
praktijk werkte het niet. Het moest stapsgewijze gebeuren, en via list. Maar een
al te duidelijk refereren naar de oude cultus was niet mogelijk, ook niet in de
privaatsfeer – althans voor wat het vasteland betreft; in IJsland zou dat wèl
mogelijk blijven. Keizer Theodosius (379-395) vaardigde zeer draconische
maatregelen uit tegen de oude religie als weerwraak op z’n voorganger, Keizer
Julianus. Maar gelukkig voor de Germaanse stammen werd voor het Gallische gebied
beroep gedaan op een geromaniseerde, maar ‘heidens’ gebleven Frank,
Arbogast. Toen Theodosius uitvaardigde dat de oude haardcultus in de
privaatsfeer niet meer kon, installeerde Arbogast een andere Keizer, een zekere
Eugenius die goedgunstig stond tegenover de oude cultus. Onmiddellijk werd het
herstel van het Altaar van de Zege in de Senaat afgekondigd en sommige oude
gebruiken konden – in beperkte mate evenwel – worden gehandhaafd. Maar deze
muiterij werd hem fataal, want Theodosius bracht een machtig leger op de been en
Eugenius en Arbogast stierven in de strijd op 6 september 394. (P. JONES &
N. PENNICK, op. cit., p. 98)
Het
moet opvallen dat de volkeren die in de periode van totale verwarring
grotendeels ter plaatse zijn gebleven, zoals de Friezen en de Saksen, hun oude,
voorchristelijke religie zo goed als ongeschonden overleverden. De Frankische
overheersers, die reeds vanaf de tweede eeuw tot het christendom begonnen over
te gaan, hadden het allerminst gemakkelijk die twee honkvaste volkeren tot
andere inzichten te brengen. Trouwens, men mag niet denken dat vanaf het begin
alles koek en ei was binnen de christelijke rangen. Er bestond een grote strijd
die uitbarstte in theologische disputen om en rond de natuur van Jezus Christus.
De leer van Arius, bekend als Arianisme, werd in onze streken bekampt door de
verbannen Athanasius, een intellectueel die zich in Trier ophield. Servaas, de
bisschop van Tongeren, zou zich profileren als Athanasius’ medestander en
daarmee zou zijn faam zich over de Westerse wereld verspreiden.
Er
is weinig met zekerheid over Servaas geweten. Wel moet hij een enorme invloed
gehad hebben en was hij een vooraanstaand figuur op kerkvergaderingen met
netelige discussies. Verder weten we ook dat hij op ’t einde van zijn leven
Tongeren verliet, vermoedelijk omdat het zendingswerk hem niet gelukt was. Het
verhaal doet de ronde dat Servaas ’s nachts een visioen kreeg. Hij zag een
heiligenstoet met centraal de heilige Petrus (eerste paus) en Paulus
(verspreider van het geloof in Europa). Toen hij dat gezien had begreep hij dat
die heiligen baden voor de dood of de ondergang van de Tongerse bevolking die
was teruggekeerd tot de voorvaderlijke cultus. Servaas richtte een smeekbede tot
Petrus, maar die sprak: “Broeder, wil
niet kloppen op de deur, die door een gerecht oordeel gesloten is, want het
gerucht van wat die van Tongeren misdreven hebben, is doorgedrongen tot de
hemel. En daarom is de toorn van God over hen in eeuwigheid. [...]
Er bestaat geen hoop op heil voor die van Tongeren, want de bisschop,
die hen door de hand van de engel gegeven werd, hebben zij op lasterlijke wijze
verstoten en verdreven.” De
straf die voorspeld wordt is een plunderexpeditie door de Hunnen. En Petrus
vervolgt: “Gij zult de Hunnen zien, maar
door hen geëerd worden. En de stad Tongeren zal u geen graf zijn, want zij
heeft u boosaardig verworpen. Maar daar is Maastricht, een koninklijke stad die
u liefde toedraagt.” (Geciteerd in F. VAN OLDENBURG-ERMKE, Servaas van Maastricht, De Kinkhoren, Brugge/Brussel, 1944, p. 59)
Aldus het visioen. Daaruit kunnen we concluderen dat Servaas niet zo geliefd was
en dat de bevolking er allerminst happig op was om naar het christendom over te
lopen. Zij hadden de bisschop kennelijk verstoten. En daarom vertrok Servaas uit
Tongeren. Toen Servaas gestorven was, werd hij naast de heirbaan op Maastricht
begraven. En omstreeks 560 liet Sint-Monulphus er een kerk bouwen. Die werd in
881 door de Noormannen platgebrand. (F. VAN OLDENBURG-ERMKE,
op. cit., 81 blz.)
Met
de bekering van de Merovingische koning Chlodowic in 496 kwam daar verandering
in. Na zijn overwinning in Soissons op Syagrius, de Gallo-Romeinse leider, koos
Chlodowic openlijk partij voor Rome en wees hij het Arianisme van de hand. Maar
niet iedereen volgde zijn voorbeeld. Sommigen bleven sympathieën koesteren voor
het Arianisme – zeker de in het zuiden verblijvende Goten – en toch tot laat
in de zesde eeuw werden ook nog de oude Goden door een groot aantal Merovingers
aanroepen. Zo preekt Sint-Maarten, de bisschop van Braga, die in 560 aangesteld
was om de Arianen van het noordwesten, de Galicianen, tot het katholicisme te
bekeren, op virulente wijze:
“ Toen nu de duivel en zijn dienaars, de boze geesten, die uit de hemel gestoten waren, zagen dat de mensen in hun onwetendheid de Schepper in de steek lieten, en zich op hun dwaalwegen bij schepselen ophielden, gingen zij er toe over zich in verschillende gestalten aan hen te tonen en met hen te spreken. Zij vroegen hun, dat men hun op de hoge bergen en in loofrijke bossen offers zou brengen en dat men hen als God zou vereren. Daarbij gaven zij zich de naam van misdadige lieden, die hun leven in alle misdadigheid en zonde hadden doorgebracht. Zo gaf één zich uit voor Jupiter, iemand die vroeger een tovenaar was geweest en zich zozeer aan bloedschendige ontucht had overgeleverd, dat hij met zijn eigen zuster, die Juno heette, getrouwd was en bovendien zijn dochters Minerva en Venus verkrachtte en zijn kleindochters en heel zijn familie op de meest schandelijke wijze onteerde. Een andere boze geest noemde zich Mars, iemand die zich vroeger steeds had schuldig gemaakt aan twist en tweedracht. Weer een ander wilde Mercurius heten: deze was vroeger de listige uitvinder geweest van allerlei diefstal en bedrog. Hem brengen hebzuchtige mensen, wanneer ze een viersprong passeren, daar hij naar hun mening de God van de winst is, offers van stenen, door deze op een hoop te gooien. Weer een andere boze geest kende zich de naam Saturnus toe, iemand die tijdens zijn leven, wreed als hij was, zelfs zijn eigen pasgeboren kinderen verslond. Weer een andere boze geest gaf zich uit voor Venus: deze was een publieke vrouw geweest. Niet alleen hoereerde zij met ontelbare minnaars, doch zelfs met haar vader Jupiter en haar broer Mars.
Ziet, zo hebben
indertijd deze verdorven lieden geleefd en domme boeren vereerden hen als
uitvlucht voor hun verkeerde handelswijze.
De
boze geesten voegden zich hun namen toe, opdat men hen als goden zou vereren en
hun offers zou brengen en opdat men, na hun namen te hebben aanroepen, ook hun
daden zou navolgen. Ook haalden de boze geesten hen ertoe over tempels voor hen
te bouwen om daarin beelden en afbeeldingen van die misdadige lieden aan te
brengen en altaren voor hen op te richten waarop men hun niet alleen
dierenbloed, doch ook mensenbloed moest offeren. Bovendien doen vele boze
geesten, die uit de hemel verdreven zijn, hun invloed gelden ofwel op zee, ofwel
op de rivieren, ofwel in bronnen, ofwel in bossen, en ook zij worden door
mensen, die God niet kennen, eveneens als goden vereerd en ontvangen offers van
hen. Op zee nu spreken zij van Neptunus, op rivieren van Lamiæ, in bronnen van
Nymfen en in bossen van Diana’s: het zijn echter allen boze geesten en slechte
engelen, welke ongelovige mensen, die zich niet met het kruisteken weten te
beschermen, benadelen en kwellen. […] En hoe komt
het dan, dat sommigen van u, die de duivel en zijn dienaars en zijn dienst en
zijn slechte werken verzaakt hebben, nu opnieuw terugkeren tot de dienst van de
duivel? Want is het iets anders dan duivelsdienst bij stenen en bomen en bronnen
en op driesprongen kaarsen aan te steken? Is het iets anders dan duivelsdienst
zich te storen aan voorspellingen, voortekenen en aan de dagen van de afgoden?
Is het iets anders dan duivelsdienst het feest van Vulcanus te vieren en de
eerste dag van de maand tafels te versieren en lauwerkransen op te hangen, erop
te letten of ge uw linker- of uw rechtervoet gebruikt, koren en wijn over een
boomstam uit te gieten en brood in een bron te gooien? Is het iets anders dan
duivelsdienst, dat vrouwen onder het weven de naam van Minerva aanroepen en de
vrijdag voor de meest geschikte huwelijksdag houden en dat men er nauwkeurig op
let welke dag het gunstigst is voor een reis? Is het iets anders dan
duivelsdienst kruiden te betoveren om onheil te stichten en de namen van boze
geesten te aanroepen met een toverformule?” (Fulgentius van Ruspe -
Martinus van Braga - Leander van Sevilla - Preeken, ingeleid en vertaald
door Dr. J.J. Van den Besselaar, “De Kinkhoren”, Brugge/Brussel, 1946, pp.
136-146)

Uit dit fragment zijn tal van gebruiken te halen die in de
zesde eeuw nog gangbaar waren bij grote bevolkingsgroepen. Het is begrijpelijk
dat het demoniseren van de cultus en het letterlijk opvatten van de oude mythen
heden, in onze geseculariseerde maatschappij, een potsierlijke indruk maakt,
maar in die tijd moet die voorstelling vrij shockerend zijn overgekomen. Of
dergelijke preken veel uithaalden, is mij niet onmiddellijk bekend.
Bij
de Arianen was de traditionele religie alvast nog springlevend – Arianen die
al even sterk een mengvorm van christendom met heidendom hadden als de Keltische
spitsbroeders van Noord-Frankrijk. Maar dan, dan gebeurt het onvermijdelijke.
Daar waar voorheen de niet-christelijke bevolking een relatieve tolerantie aan
dag legde en christelijke geestelijken toestond te prediken, wordt nadien van
hogerhand, vanuit de adel en het koningschap, het christendom geïnstitutionaliseerd
en uiteindelijk tot enige religie verheven. Amper zestig jaar na de doop van
Chlodowic, in 658, werd op het concilie van Nantes besloten tot de vernietiging
van de druïdenstenen en tot het omhakken van de heilige bomen die tot dan toe
hoog in aanzien waren gebleven. In datzelfde concilie werd gestipuleerd dat om
’t even welk ritueel nabij megalieten verboden was. (P. JONES & N.
PENNICK, op. cit., p. 92) Het was in
die periode dat de Frankische koningin ergens te velde een ‘heidense’ tempel
bemerkte en het heiligdom, ondanks de heftige tegenstand van de plaatselijke
bevolking, liet verwoesten. De religieuze dictatuur was bij de Franken begonnen.
(G. NOORT, Germaanse Cultuur en
Christianisatie van Noordwest-Europa, IIMO Research Publication, nr. 35,
Utrecht/Leiden, 1993, pp. 55-56)
klik hier om verder
te lezen met deel 5
deel
2: de Romeinen
deel 3: de Kelten
deel 4: de Germanen
deel 5: de Franken
deel 6: de Saksen
deel 7: de Vikingen
deel 8: Scandinavië
deel 9: de Balten
deel 10: nabeschouwingen