Beknopte geschiedenis van het ‘heidendom’ (deel 8)
Scandinavië
In
het Scandinavische moederland daarentegen werd heftig verzet geboden tegen een
al dan niet gedwongen overgang naar het christendom. Dat blijkt uit het feit dat
de belangrijke tempel van Uppsala nog tot 1070 in gebruik was. (B. ALMGREN e.a., De
Vikingen - De laatste en meest onthullende ontdekkingen welke gedaan werden over
de Vikingen, Helmond B.V., Helmond, 1979, p. 24-31) Trouwens, gedoopt zijn
was niet altijd een garantie voor een ernstig christelijk leven. De Noormannen
bijvoorbeeld hielden het in dat geval toch nog altijd bij een mengvorm. In de
tiende eeuw was er zelfs een opflakkering van de Thórrverering, zodanig zelfs
dat het christendom er een minoriteit werd. (P. JONES & N. PENNICK, op. cit., p. 134)
De
bekering van Denemarken is weer één van die momenten in de christelijke
geschiedenis die alles behalve zuiver op de graat kan genoemd worden. Spilfiguur
was de in Frankrijk geboren monnik Ansgar. Die geestelijke maakte handig gebruik
van een troonopvolgingskwestie in Denemarken waarin niet alleen Karel de Grote
een hand bleek te hebben, maar ook zijn zoon Lodewijk de Vrome. Die laatste
duidde het klooster van Turnhout aan als opleidingscentrum voor de toekomstige
Scandinavische missionering. Harald Klak was de door Karel de Grote naar voor
geschoven troonopvolger. Maar hij werd in Denemarken niet aanvaard. De keizer
wilde toch niet zover gaan om troepen te sturen. Na de dood van Karel de Grote
aanvaardde Harald in 826 de christelijk doop in de hoop militaire steun te
krijgen voor de herovering van Denemarken. Ansgar werd door Lodewijk de Vrome
meegestuurd als raadgever, maar ook nu weer had de missie weinig succes. Harald
werd uit het land verdreven, en Ansgar reisde door naar Zweden waar hij van
koning Björn toelating kreeg te prediken. Ondertussen lag Hamburg, de meest
vooruitgeschoven missiepost van de christenen, onder een spervuur van
vikingaanvallen. In Zweden leek het missioneringswerk wel te vlotten, en een
zekere Gautbert werd er tot bisschop benoemd. Maar de bisschop moest de benen
nemen na een volksopstand. De reden daarvoor is ons niet bekend, maar een
religieuze oorzaak lijkt ons zeer aannemelijk. Toen Ansgar later terug naar
Zweden wilde afreizen om verder te missioneren, bedankte Gautbert hem wijselijk.
En bij de vraag aan de koning om toestemming voor de verkondiging van het
geloof, was die zeer terughoudend. Hij wilde advies inwinnen bij het Þing,
alwaar het lot geworpen werd om de stem van de Goden te horen. Het lot lag aan
Ansgars zijde en een vernieuwde missionering kwam op gang. (PH.
PULSIANO e.a., Medieval Scandinavia - an
encyclopedia, Garland Publishing Inc., New York & London, 1993, p. 17)
Ondertussen
wist Ansgar betrekkingen aan te knopen met het Deense hof en ontving hij van
koning Horic de toestemming een kerk te bouwen en mensen te dopen. Maar de doop
was ook daar, net zoals bij de vikingen in Frankrijk, vereenvoudigd.
Vermoedelijk draaide het dus ook om economisch-politieke motieven. Het bleef al
bij al buitengewoon oppervlakkig, en daarenboven hielden de aanvallen op
missieposten in Bremen, waar Ansgar aartsbisschop was geweest, aan. Zijn
opvolger had de handen vol met het vrijkopen van christelijke gijzelaars. Als
klap op de vuurpijl werd Unni – de aartsbisschop van Bremen, die voortdurend
aandrong op een algehele missionering van Denemarken – in 936 bijzonder
vijandig ontvangen door koning Gorm van Denemarken (908?-958). De verhouding
tussen de traditionele gelovigen en de christenen kan dus op zijn zachtst gezegd
‘gespannen’ worden genoemd. In het begin van de tiende eeuw liet de
‘heidense’ vorst alle kerken in zijn rijk platbranden en alle priesters
dienden onmiddellijk het land te verlaten. Maar de historische situatie was al
te ver gevorderd. De Saksen werden steeds machtiger onder Otto de Grote, die in
962 keizer werd en als grondlegger van het Heilig Roomse Rijk wordt beschouwd.
Daarenboven liet de zoon van Gorm, Harald, zich dopen. (PH. PULSIANO e.a., op. cit., p. 232) En al claimde Harald
in 965 de Denen tot het christendom overhaald te hebben, toch vond er in
986 nog een ‘heidense revolte’ plaats onder de regering van diens zoon, Sven
Haraldsson (Vorkbaard) de Eerste, zo meldt ons Adam van Bremen. Sven leidde een
opstand tegen zijn vader, die naar het rijk van de Wenden vluchtte en er in 987
aan zijn wonden bezweek. Christenen werden op de vlucht gedreven en Sven trouwde
met Sigrid, een vrouw die de oude gebruiken en religieuze visie trouw was. Het
manuscript Encomium Emmae beschrijft
hem als ‘nagenoeg de meest succesvolle
van alle koningen van zijn tijd’. Het is pas vanaf 1018, met het
koningschap van Knut, de zoon van Sven, dat Denemarken totaal capituleerde. (PH. PULSIANO e.a., op. cit. , p. 627)
Koning
Knut, die ook in Engeland regeerde, schreef omstreeks 1020 het volgende: “Heidendom
betekent dat mensen afgoden aanbidden, dat ze de heidense goden aanbidden, en de
zon of maan, vuur of rivieren, bronnen of stenen, of verschillende bomen. Of ze
houden van hekserij, of moedigen verschillende dood-veroorzakende vervloekingen
aan, of ze offeren of voorspellen of geven zich over aan waandenkbeelden.” (P. JONES & N. PENNICK, op. cit., p. 157)
De confrontatie tussen de oude religie en het missionerende
christendom, dat op militair machtsvertoon steunde, kwam op duidelijke wijze tot
uiting in Noorwegen. Men dient bij het bestuderen van die gebeurtenissen in het
achterhoofd te houden dat de koning, naast hoofd van de gemeenschap, ook nog het
hoofd van de oude religie vormde, de spil waarrond alles draaide. Misschien is
de Noordse koning wel een beetje te vergelijken met de keizer in het oude Japan,
die een zoon is van Amaterasu-o-Mikani, de Zonnegodin. Zo werden de koningen in
het oude Noorden gezien als afstammelingen van Thórr, de God van de tweede
stand, de mystieke beschermer van het land. Ze bezaten dus een bijzondere
functie binnen de gemeenschap.
Welnu,
de zoon van de Noorse koning Harald (Schoonhaar) Hálfdanarson, nl. Hákon góði
Haraldson, werd christelijk opgevoed aan het hof van koning Æthelstan van
Wessex. Na de dood van zijn pleegvader, in 935, verliet hij Engeland en keerde
hij naar Noorwegen terug, waar hij alles in het werk stelde om de Noren tot het
christendom te bewegen. Hij ‘maakte een
wet dat joel zou gehouden worden op hetzelfde tijdstip als de christen [hun
kerstfeest] houden. Maar voordien werd
joel gehouden op höku-nacht, dat is
midwinternacht, en het werd gevierd gedurende drie nachten.’ (P. JONES & N. PENNICK, op. cit., p. 124) Verder nodigde hij Engelse geestelijken uit om
kerken in het land te bouwen. Maar dat alles werd door de bevolking niet zeer in
dank afgenomen. Toen hij tijdens het Frostaþing een voorstel tot algehele
kerstening opwierp, ondervond hij onmiddellijk tegenstand en werd hij gedwongen
van zijn voornemen af te zien. Het ging hem dus niet zoals gepland. En alhoewel
de christelijke geestelijkheid het traditionele zienerschap van de noordse
religie afwees, deed Hákon er blijkbaar toch een beroep op. De völva was in
haar bewoording zeer duidelijk: “Ik ben
blij dat je zoveel vertrouwen in mij kunt stellen, meer dan je nakomelingen en
jezelf in jullie beleden geloof stellen.” Naar verluidt zou Hákon op
latere leeftijd uiteindelijk teruggekeerd zijn tot het oude geloof, en zelfs de
oude gebruiken in ere hersteld hebben. Hij werd volgens de voorchristelijke
cultus begraven in een heuvel nabij Sein. Zijn skald, Eyvind Scaldaspiller,
maakte een traditioneel religieus eerbetoon over hoezeer de koning ‘die de tempels in stand hield’, in het Walhalla met veel
vreugde door de hoge Goden werd ontvangen. (P.
JONES & N. PENNICK, op. cit., p.
135)
Maar de verstandhouding tussen beide religies kon
allerminst positief genoemd worden. De christelijke zonen van koning Erik van
Denemarken vernielden in Noorwegen de oude tempels en banden de
traditioneel-religieuze offerrituelen. De bevolking nam dat niet en ze werden
aangehouden en geëxecuteerd.
Toch
speelde de beslissing van het Þing, zoals in het voorbeeld van Hákon, niet
altijd in het voordeel van de oude religie. De kleinzoon van Hákon, de beroemde
Olaf Tryggvason, kwam op zijn rondzwervingen met het christendom in contact en
liet zich dopen. In 995 keerde hij terug naar zijn moederland waar hij de troon
opeiste. Op het Þing werd beslist Hákon de Jarl af te zetten en Olaf als
nieuwe koning te erkennen. Maar dat had zware gevolgen. Op lokale Þings oefende
de nieuwbakken vorst enorme druk uit door te dreigen met een militair ingrijpen
indien men het christendom niet zou aanvaarden. Zij die de jonge religie wel
zouden accepteren, stelde hij beloningen in het vooruitzicht. Vandaag zou men
zoiets ‘omkoperij gepaard gaand met chantage’ noemen. In 999 was de
kerstening van Noorwegen een feit, maar nog in 1030 brak er een plaatselijke
‘heidense opstand’ uit waarbij Olaf Haraldsson, de vorst die het christendom
gewapenderhand en met behulp van Engelse bisschoppen en priesters over het land
liet verspreiden, werd gedood. (PH.
PULSIANO e.a, op. cit. , p. 257) De reden daarvoor
dient niet te ver gezocht te worden. Olaf Haraldsson plunderde en brandde de
oude tempels af en dwong de leden van de kleine boerengemeenschappen, de één
na de ander, zich te bekeren of te sterven. Om dat te kunnen afdwingen nam hij
gijzelaars met zich mee. En net zoals er verhalen zijn over christelijk
martelaarschap, zo bestaan er ook heldhaftige verhalen over heidense martelaren
– alleen komen die nooit aan bod. Veel boeren stierven liever dan zich te
moeten bekeren tot een religie die de hunne niet was. Olaf Tryggvason gaf bevel
tot het uitsteken van de ogen van de ziener Thorleif de Wijze. Toen de beul hem
het ene oog uitstak en Thorleif geen kik verroerde, vluchtte de christenbeul.
Jones geeft een kleine opsomming van martelaren: Eyvind Kelde werd samen met
zijn kameraden verdronken; Iron Skegge werd gedood terwijl hij de tempel in Mæri
met zijn leven verdedigde; Eyvind Kinnrifi werd met hete kolen doodgemarteld,
Raud de Sterke werd gemarteld met een giftige slang en roodgloeiend ijzer,
Ragnar Lodbrok werd door christenen in Northumbria op schandelijke wijze
vermoord... Dit zijn maar enkele voorbeelden uit de lange, zwarte lijst van
‘heidense’ martelaren.
Ondertussen nam de christelijke religie systematisch meer
sacrale plaatsen van de oude religie in. De traditionele
begraafplaats in
Jelling werd ten tijde van Harald Gormsson (die later door traditionele
gelovigen uit Denemarken werd verdreven) omgetoverd in een christelijk kerkhof.
En op de traditionele koningssteen van koning Gorm, Haralds vader en fervent
aanhanger van de oude religie, alsook op de oud-religieuze hörgr (tumulus, doorgang tot de Andere Wereld) werd een
christelijke stavkerk gebouwd.
De
voortdurende terreur, de listen en de spitsvondigheden van de christelijke
autoriteiten spreken het vreedzaam kerstenen van Europa tegen. Daarenboven is
het een fabel dat IJsland volkomen vrijwillig tot het christendom zou zijn
overgegaan. De bekeringsijver van de voornoemde Olaf Tryggvason heeft daar alles
mee te maken. IJslanders die naar Noorwegen kwamen, werden prompt gekerstend.
Olaf stuurde in 996 Stevne Thorgilson naar IJsland om er het evangelie te
verkondigen. Maar hij moet het er erg bont gemaakt hebben. Het Alþing verbande
hem (dat is de zwaarste straf) en er werd op de vergadering uitdrukkelijk
bepaald dat wie kwaad sprak over de Goden een banneling zou worden. Daarna kwam
een zekere Thangbrand die de z.g. vredelievendheid alle eer aan deed. Benevens
het vernielen van Godenbeelden, vermoordde hij ook een aantal mensen. Ook hij
werd het land uitgezet. Anderen volgden, en uiteindelijk werd de druk zo groot
dat het Alþing zwichtte. De raad van wijzen besloot dat er slechts een zeer
geringe straf mocht staan op het aanbidden van de oude Goden, en dat het
christendom de officiële religie van het land zou zijn. In de private sfeer is
de oude religie altijd blijven bestaan. Daar had het christendom geen vat op.
(G. NOORT, op. cit. , pp. 66-67)
Het is bekend dat de noordse volkeren in termen van
‘kracht’ dachten, en niet in termen van theologische concepten. Een
God/Godin moest meginn uitstralen in
de mens, of in de omgeving, d.w.z. Hij/Zij moest krachtdadig heil en zegen
veroorzaken in een reële situatie. Als de effectieve werkzame kracht ontbrak,
dan mocht de aangeroepen entiteit een God/Godin, Walkure, Fylgja, Disa of wat
dan ook zijn, de aanroeper zou Hem/Haar
onverwijld de rug toekeren. Vandaar dat b.v. Chlodowic, toen hij bemerkte dat de
christelijke God hem de overwinning in de strijd bezorgde, zich tot het
christendom bekeerde – althans volgens de apologetische verhalen. Het
Germaanse krachtdenken werd vanuit christelijke hoek als propagandamiddel
misbruikt ter verdediging van het nieuwe geloof. Maar dat neemt anderzijds niet
weg dat het volk in krachttermen bleef denken, ook al was dat dan onder een
christelijk vernislaagje. Woonde men in de middeleeuwen een mis bij, dan
garandeerde dat alvast dat jou die dag geen ongeluk zou treffen. De kerkleer
bood die garantie niet; het was het volksgeloof dat dit element aan de mis
toedichtte en haar zo tot een zeer werkzaam tovermiddel opwaardeerde. Hetzelfde
geldt trouwens voor het belang dat gehecht werd aan relikwieën. Dat hing samen
met het beeld van Goddelijke uitstraling (heilagr)
dat aan deugdzame personen werd toegekend. Die Goddelijke uitstraling bleef ook
na de dood van die persoon werkzaam en verspreide heil en zegen over de
gemeenschap. En dat was dus zondermeer een zeer effectief magisch krachtmiddel.
De
uitwerking van het heilagr van een
koning wordt nog vermeld bij Heinrich Cornelius Agrippa von Nettesheim. In Die
Magischen Werke schrijft hij: “Der
Tag, welchen jene den Merkurstag nennen, heißt nach dem Zeugnisse des Saro
Grammatikus (hier wordt vanzelfsprekend Saxo Grammaticus bedoeld) bei
letzteren der Odinstag, der Jupiterstag, der Thorstag, von Odin und Thor,
ehemaligen Königen der Goden und Dänen. Auch die Goten haben ihren Namen aus
keinem anderen Grunde, als weil sie das höchste Wesen in ihrer Sprache Gott
nennen. Die Teutonen hießen so, weil sie den Gott Mars, den sie vererhten,
Teutanes nannten, welchen Namen die Gallier auch dem Merkur gaben. Die Könige
und Oberpriester sind also, wofern sie ein gerechtes Leben führen, Genossen der
Götter und durch ähnliche Gewalt ausgezeichnet. Daher heilen sie durch bloße
Berührung oder durch ihr Wort Krankheiten und befehlen bisweilen den Zeiten und
Himmeln.” (H.C.
AGRIPPA VON NETTESHEIM, Die Magischen
Werke, Fourier, Wiesbaden, 1982,
pp. 4458-459) Deze gedachte – nl. dat koningen als gevolg van hun heilagr genezing kunnen brengen – lijkt lang stand gehouden te
hebben, zelfs in christelijke middens. Aartspriester Hugo van Heussen
bijvoorbeeld, zond in 1687 zijn chronisch zieke zuster Agatha naar Engeland om
zich door de Engelse vorst Jacobus II ter genezing te laten aanraken. Die
koninklijke genezingsrite werd ook nog door Karel II in de Haagse Hofkapel
gepraktizeerd onder het sceptisch oog van Abraham de Wicquefort. (W. FREIJHOFF in Religieuze
Volkskultuur, p. 84) We constateren dus dat, terwijl de religieuze grondslag
reeds lang verloren is, de praktizerende traditie, met een op inertie lijkende
wetmatigheid, gehandhaafd blijft.
Het
krachtdenken was fundamenteel bij de noordse volkeren. Toen de Noorse Gudbrand
met een enorm leger tegenover de christelijke Olaf Tryggvason (968-1000) stond,
werd heen en weer geargumenteerd over de legitimiteit van de ene en de andere
religie. Gudbrand stelde klaar en duidelijk: “U kent de enige God (Jahwe),
die u evenmin als andere mensen kunt zien. Maar wij hebben een God (Thórr),
die we altijd kunnen zien.” Deze zichtbaarheidsfactor was een bewijs voor
de aanwezigheid van de oude God, voor zijn krachtige inwerking in het hier en nù.
De kracht van Thórr was direct bespeurbaar in de aanwezigheid van een beeld.
Het beeld ver-beeldde niet alleen de God, maar de God woonde in het beeld zelf
en straalde zijn meginn (macht/kracht)
over de gemeenschap uit. Gudbrand daagde vervolgens Olaf uit tot een krachtproef
tussen beide Goden. Het beeld van Thórr werd aangedragen en er werd aan Olaf
gevraagd om zijn God te presenteren. Daarop zei Olaf tot de gemeenschap: “Kijk
nu naar het oosten, daar komt onze God met veel heerlijkheid.” En terwijl
iedereen naar de opkomende zon staarde, vernietigde Kolbein, een dienaar van
Olaf, op lafhartige wijze het Thórrsbeeld. (G. NOORT, op. cit. , pp. 104-105)
Ook de geschiedenis van Zweden vertelt ons een
ontnuchterend verhaal. Steeds weer komen dezelfde tactische punten aan de
oppervlakte: het gedogen, het ondergaan, het vernietigd worden. De eerste lokale
christelijke koning in Zweden die propaganda voor de nieuwe religie maakte, was
Olof Skötkonung. Hij ging er prat op dat hij graag de tempel van Gamla Upsalla
zou verwoesten, maar de gevolgen schrikten hem af. De leiders van Zweden stonden
hem toe z’n geloof te belijden, voor zover hij het niet aan anderen zou
opdringen. Olof stelde zelf een bisschop aan, Thurgot – een bisschop genoemd
naar de Noordse God Thórr klinkt wel vreemd – en liet Engelse zendelingen
naar Zweden overkomen. Tussen 1000 en 1024 legde hij officieel het christendom
aan een deel van het land op, maar dat duurde niet lang. Rond 1060 was er
plotseling een vloedgolf van herbekering tot de voorchristelijke traditie, toen
de bisschoppen van Sigtuna en Skara uitgebannen werden.
Een
van de nazaten van Olof, Stenkil, kwam aan de macht en propageerde het
christendom op fanatieke wijze. Dat fundamentalisme had in ieder geval zijn
weerslag, want met de dood van die koning in 1066, braken hevige onlusten uit en
werden de christenen verdreven. Maar de druk bleef aanhouden. Stenkils zoon Inge
poogde zelfs de oude religie te verbieden en de christelijke doop verplicht te
stellen. Het Þing besliste hem onmiddellijk af te zetten. Sven, de zwager van
Inge, kwam daarna op de troon en herstelde de oude religie in haar volle
luister. Maar met buitenlandse hulp zag Inge de mogelijkheid de troon terug te
winnen en vervolgens legde hij de Zweden het christendom op. De vernietiging van
de beroemde tempel van Uppsala werd omstreeks 1100 op zijn bevel uitgevoerd. Op
die plaats werd een kathedraal opgetrokken. Pas aan het eind van de twaalfde
eeuw was de kerstening onomkeerbaar. (G. NOORT, op.
cit. , pp. 67-68)
Men mag evenwel niet in de veronderstelling verkeren dat
met de oplegging van het christendom in Noord-Europa die religie overal ingebed
en dus alomtegenwoordig was. Zelfs binnen de christelijke sfeer was de oude
religie nog sterk aanwezig. Getuige daarvan de heropflakkering van de
Freyja-cultus in Schleswig-Hollstein in de 12de eeuw. In de kathedraal vindt men
er een afbeelding van de Godin Freyja rijdend op de rug van een kat – het
heilig dier van Freyja. Daarnaast werd Frigga afgebeeld, zittend op een bezem.
Het geheel was bedoeld als een belediging voor de oude cultus.
Toch
werden bepaalde gebruiken zowel in het adellijke als in het volkse milieu in ere
gehouden. De zo gerenommeerde paardenoffers bijvoorbeeld werden in Denemarken
tot in de vroege 11de eeuw gehouden en ze leefden later nog verder in
begrafenisrituelen van koningen en ridders. Paarden werden geofferd bij de
begrafenis van Koning John van Engeland, Keizer Karel IV (1378) en Bertrand
Duguesclin (1389). De z.g. Landesknechte
offerden een paard om het einde van de Schwabenkrieg
te vieren. En tijdens de doodsplechtigheid van generaal Friedrich Kasimir te
Trier in 1781(!) werd zijn paard gedood en mee in het graf gelegd. (P. JONES & N. PENNICK, op. cit., p. 140) Men kan zich natuurlijk de vraag stellen in
hoeverre het hier om ‘traditioneel religieuze’ praktijken gaat, en
vermoedelijk zal dat in het laatste geval niet meer bewust meegespeeld hebben.
Maar het is een teken aan de wand hoe lang rituelen – zij het in een totaal
verworden vorm – kunnen standhouden en in bepaalde gevallen zelfs weer
opflakkeren.
Zo kan men bijvoorbeeld vaststellen dat bij de stichting
van de abdij van Königsfelden in 1318 een paard werd geofferd – óf: hoe
christenen de traditioneel-religieuze praktijken overnemen. Op tal van plaatsen
heeft men het inmetselen van paarden en stieren in kerken en belangrijke
gebouwen kunnen vaststellen. De kerk van Sint-Botolph in Boston, Linconshire,
had paardebeenderen in de vloer, en in Elsdon, Northumberland, waren die in het
belfort te vinden. Niet minder dan acht paardenkadavers werden nog in 1883(!)
onder de kansel van het Bristol Street Meeting House in Edinburgh begraven,
andere dan weer in het koorgestoelte van de Llandaff kathedraal in Wales. Het
doorwerken van de oud-religieuze beelden en rituelen in de nieuwe religie is wel
het meest opzienbarende gegeven dat door de vergelijkende religiewetenschappen
geconstateerd wordt. Bij het optrekken van de nieuwe kapel van de methodisten in
Black Horse Drove, nabij Littleport in Cambridgeshire, werd een paardenhoofd in
de fundamenten ingemetseld. Er werd bier over de schedel gegoten alvorens er
mortel en stenen over te leggen. Een werkman beschreef het als ‘een
oude heidense gewoonte om het kwaad en hekserij te verdrijven.’ Ook in
onze streken, meer bepaald in Nederland, was het gebruik – zij het in een
variant – bekend. Hendrik Cannegeiter meldt, dat in de 18de eeuw de boeren de
Moirae (Schikgodinnen) op een afstand hielden door een paardenskelet op het dak
te leggen. (P. JONES & N.
PENNICK, op. cit., p. 140) Dit staat
ongetwijfeld in verband met het belevendigen van een nieuw gebouw, zodanig dat
het een evenbeeld wordt van de belevendigde kosmos als gevolg van het oeroffer.
Enkel een belevendigd gebouw kan recht blijven. Wat niet van de Goddelijke
Essentie doordrongen is, moet onherroepelijk vervallen. Vandaar dat we in de
Noordse traditie merken hoe de Wereldgod (Veralden
godr) Ymir door Odhínn, Wili en Weh in stukken wordt gesneden. Met de
hersenpan wordt het hemelgewelf gecreëerd, met de beenderen de bergen; het
bloed vormt de wereldzee, de hersenen de wolken, het haar de planten, de ogen
zon en maan... Door de belevendiging van de natuur kan de wereld standhouden. Op
net eendere wijze wordt een nieuw gebouw door middel van een offer bestendigd.
Het gebruik gaat later over op het inmetselen van relikwieën en het oliën van
de hoeksteen.
Het
ondergronds verder bestaan van de oude religie is iets dat door sommigen betwist
wordt, door anderen dan weer verdedigd. Maar het lijkt er in ieder geval op dat
sommige gebruiken, lang na de officiële kerstening, nog bij de gewone
bevolking, de boerenbevolking en de kleine landadel, gekoesterd werden. Jacob
Grimm meldt ondermeer dat in Scandinavië offers aan de God Thórr gebracht
werden tot in de late 17de eeuw. En tot 1814(!) werd de z.g. Odhínn-steen, een
uitgeholde steen, in Orkney gebruikt om eden af te nemen. In 1791 werd trouwens
een jonge man door de Ouden van Orkney aangeklaagd omdat hij ‘de
eed tegenover Odhínn’ had gebroken. Bij het bezoeken van de heilige steen
was het gebruikelijk een offer van brood, kaas en een stuk stof achter te laten.
(P.
JONES & N. PENNICK, op. cit., p.
160)
Klik hier om verder te lezen met deel 9: Balten
deel
2: de Romeinen
deel 3: de Kelten
deel 4: de Germanen
deel 5: de Franken
deel 6: de Saksen
deel 7: de Vikingen
deel 8: Scandinavië
deel 9: de Balten
deel 10: nabeschouwingen