Beknopte geschiedenis van het ‘heidendom’ (deel 10)
verdere
beschouwingen
De voortdurende verdraaiing van de realiteit door het
christendom, zijn religieuze manipulatie van de oude Indo-Europese beeldspraak,
en zijn onverdraagzaamheid tegenover andersdenkenden staan in schril contrast
met de interpretatio Romana, die in
ieder geval – hoe verwarrend ze ook moge zijn – eerlijk bleef. Zoals we dat
vandaag nog bij andere totalitaire denkvormen kunnen vaststellen, wordt de
tegenstander in het christendom gediaboliseerd en wel op zodanige wijze dat er
geen plaats meer weggelegd is voor alternatieve denkvormen. Of men behoort tot
de orthodoxe leer, óf men is een ketter, heeft een pact met de duivel gesloten,
zweert bij de krachten van de onderwereld... Een mogelijke verbinding tussen de
oude, voorchristelijke laag en de nieuwere, christelijke sfeer, zoals dat
aanvankelijk nog kon in het Ierse of Kuldese christendom, wordt in de Roomse
variant van bij de aanvang uitgesloten. De breuk moet compleet zijn – althans
dat pretendeert men. Zo trekt het christendom zich terug op zijn eiland van de
z.g. eenheid, terwijl de aanvallen op zijn leerstellingen van alle zijden komen,
vanuit de veelheid. De veelheid wordt des duivels, de eenheid (lees: ene échte
dogmatische Waarheid) is Goddelijk.
Raymond Harper analyseerde in dat verband zeer scherp de
visie op de oude religie bij onze grote Vlaamse schrijver Jacob van Maerlant,
een standpunt dat trouwens niet verschilt van dat van de officiële Kerk, meer
bepaald van de vroege kerkvaders:
“De
heidense religies waren derhalve, volgens de opvatting van van Maerlant, in
laatste instantie niets meer of minder dan duivelaanbidding in disguise.
[...] Hoewel het gebruik om de heidense goden, afhankelijk van de context,
als vergoddelijkte stervelingen, levenloze beelden, dan wel liederlijke demonen
te beschouwen reeds zijn oorsprong vindt in de Schrift, en uit dien hoofde al in
de vroege patristiek is geattesteerd, was het toch vooral Augustinus die zich
niet ontzag om de heidense goden in één adem zowel met ‘homines mortuos’
als met ‘daemones pessimos’ te betitelen, die het als geen ander
klaarspeelde om op een majestueuze wijze de klassiek-evhemeristische
grondgedachte met de christelijke demonenleer te verzoenen. In zijn zevende boek
van zijn Stad Gods kwam voortdurend
tot uitdrukking dat de demonen erin waren geslaagd de heidense
voorvadercultussen ten eigen bate te usurperen, waardoor de heidenen nolens
volens niet de ‘clari sui’ maar de Boze en diens kornuiten goddelijke eer
bewezen. Teneinde de populariteit van deze misvatting te vergroten, maar ook om
het mensdom langs die weg nog verder van het rechte pad te kunnen voeren,
plachten genoemde demonen de door hen bezielde ‘goden’ via orakelspreuken en
aanverwante trucs getuigenissen van hun bestaan te laten afleggen. Vanuit deze
visie geredeneerd, deed het nauwelijks ter zake of deze of gene Olympiër bij
leven nu een geniale altruïst dan wel een gewetenloze aterling was geweest:
hoofdzaak was dat niet hij of zij maar een ínslechte demon van zijn of haar
verering profiteerde. Heidendom was, samengevat, identiek met satanisme.” (R. HARPER, Als
God met ons is... - Jacob van Maerlant en de vijanden van het christelijke
geloof, Prometeus, Amsterdam, 1998, p. 45) Voor velen geldt deze
middeleeuwse opvatting nog steeds.
Dat
neemt niet weg dat de christelijke wereld in die tijd allerminst een eenheid
vormde. Er bestonden verscheidene onafhankelijke Kerken. De dominantie van Rome
was nog geen feit. In dat opzicht dient te worden opgemerkt dat men binnen de
religiewetenschappen bij de bestudering van de middeleeuwen al te gemakkelijk
uitgaat van de premisse van de ‘ene
Kerk’. Begaat men dan de slordigheid de termen ‘Kerk’ en ‘christendom’
te mengen, dan voert zoiets ipso facto
tot het vooropstellen van het bestaan van een ‘uniek christendom’. Nog een
stap verder wordt ‘christendom’
met ‘religie’ verward, zodat
het beeld van de ‘ene religie’ oprijst. Zo groeit en bestendigt zich het
monolithische beeld van het religieuze fenomeen in de middeleeuwen. Dat is een
totaal vertekend beeld en het houdt helemaal geen rekening met de autonomie van
de christelijke Kerken. Daarenboven pretendeerde elk van deze Kerken de èchte
Waarheid te bezitten. Terecht wordt in de cursus van de universiteit van Gent
door professor De Decker gesteld: “Het
lijkt ons heel zeker fout, het zo voor te stellen alsof één religie,
gerealiseerd in één kerk met één waarheid, over heidendom en superstitie
heen rolde en voor bevrijding uit de polytheïstische duisternis zorgde.”(
A. DE DECKER, Postacademiale colleges voor
leerkrachten geschiedenis, Gent, Rijksuniversiteit, 1992, Syllabus nr. 12,
p. 11)
Natuurlijk werden – en worden – in de redenering van de
christelijke autoriteiten enkele fundamentele fouten begaan. Vooreerst wordt het
eenheidservaren, dat uitsluitend een metafysische aangelegenheid is – een
aangelegenheid van de Universalia of Ideeën
– getransponeerd naar een werelds gebeuren, een gebeuren dus dat
onderhevig is aan tijd en ruimte, aan wording, aan verandering, bijgevolg aan
veelheid! In deze veelheid – eigen aan het ondermaanse – een universalisme
opleggen, leidt onomkeerbaar tot totalitarisme. Het eenheidservaren is enkel
mogelijk op het metafysische niveau. Iedereen tot dat niveau van denken willen
dwingen komt neer op een gelijkschakeling van alle niveaus en alle effectieve
verschillen. Religies die de wezenlijke verschillen erkenden, en de
tolerantieregel bijgevolg hoog in hun vaandel schreven, plaatsten zich volgens
de christelijke doctrine automatisch buiten de Ware Leer, en waren bijgevolg
duivelaanbidders. Het christendom dat de leer van de Universalia
verwarde met een universalisme, miskende daardoor ook iedere verworteling; erger
nog: verworteling was hét grootste struikelblok en werd streng bestraft.
Artikel 21 van de Capitularia van
Karel de Grote stelt uitdrukkelijk:
“Als iemand bij
bronnen of bomen of heilige plaatsen zijn aandacht schenkt of iets volgens het
gebruik der heidenen volvoert en er ter ere van de demonen eet, (zal hij
boeten), als hij een edele is, 60 schilling, als hij een vrij man is, 30
schilling, een halfvrij man 15 schilling; en als hij echter niets heeft waarmee
ter plaatse kan betaald worden, zal hij in dienst van de Kerk gesteld worden,
tot deze schillingen betaald zijn.”
De verworteling met de landschapselementen komt het best tot uiting in twee termen van de Oudnoorse taal: alu en vé. Alu kan gezien worden als een ‘onschendbare’ plaats, een plaats vol kracht, een plaats waar de energie van de Goden het sterkst tot uiting komt. Het is dus een gebied of punt waar het Goddelijke op één of andere manier verschijnt en er een heilzame invloed uitoefent: b.v. een bron, een rechtopstaande steen, een welbepaalde boom, een specifieke glooiing in het landschap, een rivier… Vé, waarin het Oudsaksische wîh, of het Nederlandse wijden nog te horen is, was een gewijde ruimte, een cultusplaats. Dat kan een door bomen omringde open ruimte zijn geweest, een met hagen afgesloten tuin (stafgardr of tuna), een heiligdom (tempel)... Alu heeft sterker betrekking op de natuur, of op de Goddelijke kracht binnen een natuurlijk gegeven, terwijl vé veeleer slaat op een door de rite geheiligde plaats. Alu kan als equivalent genomen worden voor het Baltische rom- of ram-, hetgeen stilte betekent. Deze laatste wortels liggen aan de basis van de namen van Baltische heilige plaatsen, bekend als Romuva, Romainiai, en heilige steden als Romene (M. GIMBUTAS, in Of Gods & Holidays - The Baltic Heritage, Tvermé, Lithuania, 1999, p. 33) In de manuscripten uit de niet-christelijke periode van de Baltische staten valt te lezen dat het de ‘onwetenden’ (hier voor de verandering eens de christenen) niet toegestaan was deze heilige bossen en plaatsen (sacrosanct sylvan) te betreden.
De interpretatio
Christiana interesseerde zich, zoals gezegd, helemaal niet aan de inhoud van
de oude Goden, hun functie, hun verhalen, hun betekenis in het oud-religieuze
systeem. De oude Goden werden zonder onderscheid gelijkgeschakeld aan de duivel,
aan de vijand van de Waarheid (met hoofdletter). Hadden de priesters daar wél
oog voor, dan waren hun verordeningen voor de verschillende volkeren en
geloofssystemen aangepast aan de desbetreffende culturele karakteristieken, dus
aan de verworteldheid. Maar zoals reeds benadrukt gold het ‘wie niet voor mij
is, is tegen mij’ onverbloemd, en werden alle religieuze systemen op één
hoopje geveegd: ‘des duivels’! Zo eiste men van de Saksen de eed: “ec forsacho allum diaboles wercum ende wordum, Thunaer ende Woden
ende Saxnote ende allum them unholdum, the hira genotas sint” (Ik verzaak
alle duivelse werken en handelingen, van Donar en Wodan en Saxnot en van alle
boze geesten die hun genoten zijn).
Toch
is het aangewezen – zoals in de religiewetenschappen gebruikelijk is – een
fundamenteel onderscheid te maken tussen de ‘hogere
religie’ en de ‘lagere
religie’. De ‘hogere
religie’ bevat de concepten, de leerstellingen, de eigenlijke kern van de
religie, terwijl de ‘lagere
religie’ zowat kan gezien worden als het volkse lichaam, meer met het
praktische leven verbonden en zeer tastbaar in de dagdagelijkse realiteit. De
folklore waarin nog enigszins voorchristelijke elementen zouden terug te vinden
zijn, kan nagenoeg volkomen als ‘lagere
religie’ omschreven worden. Maar omdat het niet louter en alleen om
folklore gaat, maar om wat in wetenschappelijk jargon ‘religieuze
volkscultuur’ heet, dient men voorzichtig te zijn met de aangewende
terminologie. Die ‘religieuze volkscultuur’ wordt het duidelijkst omschreven
als ordre vécu, in tegenstelling tot de ordre conçu . (G.
Rooijakkers & T. van der Zee, ‘Van
Volksgeloof naar religieuze volkscultuur’, in Religieuze volkscultuur - De spanning tussen de voorgeschreven orde en
de geleefde praktijk, SUN, Nijmegen, 1986, p. 8) Het betreft hier het geloof
in mineure wezens (z.g. Elementalwesen),
aan beeldrijke volksverhalen, tastbare gebruiken met een nagenoeg magische
uitwerking... Noort haalt een citaat van de socioloog P.H. Vrijhof aan waarin
die stelt:
“Dit substratum
wordt algemeen gezien als een religieus en cultureel restant, als religieuze
folklore en gevoelens die nog steeds zouden terug te vinden zijn bij de
ongeletterde massa. Een dergelijke visie mag dan wel aantrekkelijk lijken, maar
eigenlijk is ze fout. Het heidense religieuze substratum kon niet gevonden
worden in de periferie, maar in het centrum van het religieuze leven zèlf.”
en Noort vervolgt met de theorie van Ljungberg aangaande de
‘niedere Religion’ en de ‘höhere
Religion’:
“Na
de invoering van het christendom, beleefde men het wezen van de lagere religie
gedurende de ganse middeleeuwen en ver tot in de Nieuwe Tijd met ongebroken
kracht. Het geloof aan reuzen, dwergen, elfen, woudnekkers, wichten, trollen,
woud-, meer- en berggeesten, watermannetjes, kobolden, nekkers, heksen enz. kwam
even rijkelijk voor in de oude tijden als in de Nieuwe Tijd. Volksgeloof,
heidense gebruiken, tradities en voorstellingswijzen, die met de vormen van de
lagere religie verweven zijn, hebben onafhankelijk van het christendom haar
macht over de volksziel behouden. De lagere religie omzeilde de
religieverandering.”
(Beide geciteerd door G. NOORT, op. cit. , pp. 43-44)
Het
is correct te stellen dat de ‘lagere
religie’ of ‘publieke
religie’ (Gerard DE HAAS, Publieke
Religie - voorchristelijke patronen in ons religieus gedrag, Ten Have,
Baarn, 1994) wist te overleven binnen het christelijke volkse corpus – en dit
tot vrij recent, namelijk tot voor Wereldoorlog II, of zolang de hoofdzakelijk
agrarische samenleving behouden bleef – maar het is fout daaruit te besluiten
dat de essentie van de voorchristelijke religiositeit bewaard bleef. Wel kan men
aannemen dat door het vasthouden aan de ‘lagere religie’ het
volk gevrijwaard bleef van een volkomen desoriëntatie, en dat hun identiteit
daardoor een nog relatieve aansluiting kon vinden bij het christendom. Men mag
trouwens niet vergeten dat er tot in de late middeleeuwen een vrij grote
tolerantie ten opzichte van allerlei ‘volkse’, onofficiële elementen in de
religieuze praktijk bestond. De essentie van de oude religie echter werd gevormd
door de ‘hogere religie’,
die gedragen werd door de edelen (jarls) en
geestelijke raadgevers (goði). En het
is duidelijk dat uitgerekend die standen, al dan niet gedwongen, tot het
christendom werden gebracht; het volk zou nadien wel volgen. Maar dat was buiten
de werkmethode van de oude religie gerekend, waarop de ‘religieuze
volkscultuur’ zich steunde. De ‘religieuze volkscultuur’ floreert in het
domein van de mondelinge overlevering, dus grotendeels buiten het gezichtsveld
van de onderzoeker. Het borrelt ondergronds, als vanuit de volksziel. De
overname van de religieuze elite door de christenen daarentegen had als bindend
kenmerk (althans in het Noorden) de geletterdheid en de schriftelijke traditie.
De orale traditie heeft zich dan ook gedeeltelijk kunnen
transformeren, een ander kleed kunnen aantrekken, terwijl ze in haar kern
dezelfde grondideeën van een bezielde wereld bleef handhaven. Namen van Goden
en Godinnen zijn vervangbaar, symbolische voorwerpen met dezelfde uiterlijke
vorm kunnen gemakkelijk verwisseld worden, krachttermen aangewend in
gelijkaardige omstandigheden eveneens, maar in wezen was er geen ruptuur, geen
scheiding, geen kortsluiting. Alles bleef bij het oude, ook omdat de lokale
christelijke clerus maar al te goed besefte dat een breuk tot opstand kon
leiden.
Om
ons een beeld van de oude religie te vormen, zal het dus niet volstaan
folkloristische elementen te verzamelen en die terug te voeren op de
voorchristelijke tradities. Nochtans kunnen we er ook niet onverschillig
tegenover staan. Er zijn nu eenmaal elementen die ons vanuit een ver verleden
via de folklore bereikt hebben. Die elementen werden gefossiliseerd in de volkse
devotie. “De plaatselijke, collectieve
devotiepraktijk maakt een proces van reïficatie en individualisering door, die
een voorbode vormt van de latere folklorisering ervan” schrijft W.
Freijhoff. (W.
FREIJHOFF, op. cit., p. 92) Maar in
Vlaanderen blijft het religieuze karakter van de volksdevotie vrij lang
gehandhaafd. Op ’t einde van de vorige eeuw en in het begin van deze eeuw –
met de bekende stroming van de Katholieke Actie – kreeg het ultramontaanse,
bijna populistische katholicisme volop gestalte. De band tussen de volkse
(geleefde) en de geleerde (beschouwende) religie moest ten allen prijze
aangehaald worden, maar wel met dien verstande dat de geestelijkheid volkomen
greep kreeg op de volkse ziel. Bedevaarten, processies, reliekenverering
bloeiden als nooit tevoren, zij het ditmaal onder scherp toezicht van de clerus.
De vroegere individuele bedetochten naar een of ander lokaal bedevaartsoord ter
persoonlijke intentie (veelal met giften van ex voto’s om een ziekte af te
smeken) maakten plaats voor parochiale, diocesane, en nationale manifestaties
rond grote, nieuwe basilieken, ter intentie van de paus of voor de ‘goede
scholen’. We zijn hier dus ver van het ‘traditioneel-religieuze’ denken
verwijderd.
Veel
belangrijker zal voor ons dus het herstellen van de oude conceptuele beelden
zijn, aan de hand van de
resterende teksten en de overlevende religies (b.v.
hindoeïsme), teneinde inzicht te verwerven in de structuur, de normen en de
metafysische geplogendheden van de voorchristelijke religie. Het is trouwens
door het ontnemen van de metafysische grond aan de Noordse religie dat men haar
tot folklore kon nivelleren. In die optiek was het mogelijk de oude religie met
het verwijt van ‘natuurverering’ op te zadelen, een verwijt dat in de
19de-20ste eeuw uiteenviel in twee strekkingen: de oude, noordse religie werd
verengd tot een vruchtbaarheidscultus (J.G. Frazer); in het andere geval
beschouwde men haar als een zonnecultus (moderne theosofen, Jung en ook de
nationaal-socialisten). In het schitterende artikel Le Malentendu du «Nouveau Paganisme» (1936) trekt Evola van leer
tegen enkele modernistische stellingen die voortvloeien uit de romantiek,
waaronder het zogenaamde naturalisme. “De
heidense visie zou het ontbreken aan iedere vorm van transcendentie. Ze zou zijn
blijven steken in het vermengen van geest en natuur. Haar grenzen zouden niet
verder reiken dan een krachtenmystiek binnen in de natuur (het oude kletspraatje
van het «bos» tegenover de «Tempel») en een bijgelovige
vergoddelijking van de energieën van het ras verheerlijkt onder de vorm
van beelden. [...] Wat de
voorchristelijke wereld, op z’n minst in al haar hogere vormen, kenmerkt,
heeft niets van doen met bijgelovige vergoddelijking van de natuur, want het
betrof een symbolisch begrijpen ervan, op zo’n wijze dat elk fenomeen en
iedere uiterlijke handeling slechts de zichtbare weerspiegeling waren van een
wereld die boven het zichtbare uitstijgt: de essentie van de heidense
leerstelling omtrent de mens en de wereld was voornamelijk
sacraal-symbolistisch.” (Julius EVOLA, Le
Malentendu du «Nouveau Paganisme», in L’Age
D’or - Spiritualité et Tradition, Pardès, Puiseaux, 1986, p. 7-9) Het is
voornamelijk de christelijke Kerk die er alle voordeel bij had de oude religie
op die infantilistische wijze voor te stellen. Daardoor ontnam ze haar het
fundament voor een hogere ervaringswereld.
De eerste tekenen van een fundamentele ontvoogding ten
opzichte van het christendom deden zich voor in volle reformatieperiode, zèlfs
binnen de protestantse bewegingen. Onder die stromingen gingen ook heel wat
vrijdenkers schuil. Dankzij de Italiaan Marsilio Ficino kwamen zij in het bezit
van de geschriften van Hermes Trismegistos. Die teksten – vermoedelijk uit de
2de of 3de eeuw – werden opgetekend toen er een hevige
strijd woedde tussen het Mithraïsme en het christendom. De hermetische teksten
poogden het christendom te paganiseren door te speculeren over het Ene en het
vele, over de Ongekende God en de vele Goden, door het wereldbeeld zijn magische
glans terug te geven, door de natuur weer bovenaan de agenda te plaatsen. Die
geschriften moeten reeds in de middeleeuwen frequent in omloop geweest zijn, en
hun invloed is duidelijk te bespeuren in de Graallegenden. De spirituele groepen
die zich rond Willem van Oranje schaarden, met name de z.g. ‘enthousiasten’
(b.v. Jacob Böhme), de libertijnen (Hiël) en het Huis der Liefde (Hendrik
Niclaes) gebruikten veelvuldig de ideeën die vertolkt stonden in het Corpus
Hermeticum, dat door Van Beyerland – een vertrouwensman van prins Willem
– vertaald en uitgegeven werd. Er deed zich een revival van de oud-religieuze,
voorchristelijk ideeën voor, waardoor de Grieks-Romeinse traditie tijdens de
Renaissance buitengewoon grote aandacht kreeg.
De vrijdenkers hoopten op een herbetovering van de wereld,
hadden oog voor het natuur-aspect en poogden een alternatief uit te denken
tegenover de dogmatische leer van de christelijke voormannen. Maar het
christendom week niet. Sommigen achtten het dan ook opportuun alle middelen te
baat te nemen en met de wetenschap samen te spannen om het christendom een hak
te zetten. Zij slaagden daar gedeeltelijk in, maar brachten een
seculariseringsproces op gang dat tijdens de Verlichting leidde tot de almacht
van de Rede. Anderen zagen tijdig dat gevaar en bewandelden een eigen
metafysisch denken dat uiteindelijk uitmondde in de Romantiek. Uit het
verlichtingsdenken is het occultisme gesproten, met afleidingen als de
theosofie, antroposofie, het illuminisme, het mesmerianisme, het spiritisme,
enz. Uit de andere strekking, de Romantiek, is de terug-naar-de-natuur-beweging
ontstaan, de folkorestudie, de Jungiaanse psychologie, en de heropleving van het
etnische ‘heidendom’. Asatrú, de Werkgroep Traditie v.z.w., en andere
oud-religieuze bewegingen zoals Romuva (Litouwen) komen uit die romantische
heropflakkering van het hermetisme voort.
De Werkgroep Traditie v.z.w. zet in wezen het werk van de
vrijdenkers uit de vorige eeuw verder. Willems, Boone en Snellaert brachten een
herwaardering voor ons erfgoed tot stand door de studie van de Middelnederlandse
literatuur. En figuren als Pol de Mont, Maurits de Meyere, Jan de Vries, Gabriël
Celis, K.C. Peeters maakten van de volkskunde een wetenschap. Dankzij hun
inspanningen is er heel wat belangrijk materiaal voor de ondergang behoed. De échte
traditioneel-religieuze impuls kwam pas goed op gang met de oprichting in 1935
van de overkoepeling voor volkskunstgroepen, de VIVO
(Vlaamsch Instituut voor Volkskunst). Die beweging trok de lijn van de
volkskunde door tot in haar voorchristelijke wortels en belevendigde dat ook in
haar lokale afdelingen. Joelfeesten, meivieringen, oogstgebruiken, het aanleren
van traditionele liederen, het bespelen van volksinstrumenten... dat alles werd
aan de jongeren doorgegeven. Het belang van een dergelijke organisatie, samen
met het werk van de vele lokaal opgestarte heemkundige kringen, kan amper
overschat worden.
De Werkgroep Traditie v.z.w., die in 1993 opgericht werd, heeft vanuit de traditionalistische, godsdienstwetenschappelijke school (Guénon, Evola, Coomaraswamy, ...) de volkskunde haar voorchristelijke religieuze basis teruggegeven en streeft nu naar een erkenning van deze oude religie. De nadruk van de religieuze beleving wordt bij de families zelf gelegd. Die zorgen voor het ritueel instandhouden van de traditie. De organisatie biedt hen informatiebundels aan en helpt bij de praktische uitwerking van hun beleving. De Werkgroep Traditie v.z.w. zal dus verheugd zijn u in haar rangen te kunnen begroeten en zal alles in het werk stellen om uw vragen te beantwoorden en aan uw wensen tegemoet te komen.
Slot
deel
2: de Romeinen
deel 3: de Kelten
deel 4: de Germanen
deel 5: de Franken
deel 6: de Saksen
deel 7: de Vikingen
deel 8: Scandinavië
deel 9: de Balten
deel 10: nabeschouwingen