Rituele opening werkjaar 2005-2006
Beste Vrienden,
Recentelijk waren jullie aanwezig op de rituele opening van het werkjaar 2005-2006 van Traditie. Ik heb jullie toen beloofd een samenvatting te maken van de bezinningstocht, gekruid met de gebruikte teksten. Op deze manier kunnen jullie één en ander rustig overlezen en bepaalde denkbeelden laten bezinken.
De zin van sacralisering
Traditie is een heidense beweging die zich toespitst op de religieuze gebruiken van onze voorouders die hier in de Lage Landen leefden. Om ons verleden en bijgevolg onszelf beter te leren kennen, graven we voortdurend naar de wortels van ons cultureel en religieus erfgoed. 2000 jaar dwangchristianisering vagen we niet uit met één enkele pennentrek of ritueel. Het gaat om een intens herbewustwordingsproces dat noodzakelijkerwijze vele jaren zal duren vooraleer het tot volle wasdom zal kunnen komen. We hebben de voorbije 11 jaar al een mooi parcours afgelegd. Beetje bij beetje timmeren we verder aan de weg. Talrijke blijvende initiatieven ontsprongen in de schoot van onze beweging en helpen onze voorouderlijke tradities herleven. Het koppelen van het nieuwe werkjaar aan de sacralisering van een stuk natuur, is een nieuwe stap in de richting die we uitwillen.
De traditie van onze voorouders was er één van innige verbondenheid met de natuurlijke leefomgeving én met de
gemeenschap die er verbleef. De religieuze beleving gebeurde zowel in huis als in open lucht. Dit betrekken van de natuur
bij de beleving was kenmerkend. Elke lokale gemeenschap had haar eigen plaats die ze als uitermate ‘heilig’ of ‘sacraal’
beschouwde. Meestal werd bij de zoektocht naar een nieuw woongebied zelfs eerst naar een sacrale plek gezocht, waarna de
huizen rond dergelijke plaats werden opgetrokken. Hiermee kwam die plaats ook geografisch letterlijk in het midden van de
gemeenschap te liggen. Deze plek werd bijgevolg door alle leden van de gemeenschap als sacraal erkend en ze werd door hen
vervolgens als het middelpunt van de wereld/kosmos beschouwd. Met andere woorden: de verbindingsplaats tussen het Hogere
en het lagere. Terplekke werd dan een Wy-tempel opgericht. Met het woordje ‘wy’ hangt ons Nederlandse werkwoord ‘wijden’
samen.
Voor gedegen literatuur aangaande deze boeiende thematiek, verwijs ik jullie naar de werken van de
godsdienstwetenschapper Mircea Eliade, die in de betere bib zeker te krijgen zijn.
Het is dus bij deze traditie dat onze werkgroep opnieuw wil aanknopen. De heuvel van de Asdonk wordt het kloppende hart van onze beweging; het sacrale Centrum zeg maar.
Laten we het nu hebben over de keuze van deze plek.
Het gebied Asdonk
Het gebied Asdonk ligt eigenlijk geklemd tussen Tessenderlo (Engsbergen) en Molenstede; tussen Limburg en Vlaams-Brabant dus. Het ligt tevens op het grensgebied tussen Kempen en Hageland. Eigenlijk betreft het hier dus een overgangsgebied.
Filologische achtergronden
Etymologisch bekeken is Asdonk een interessante naam. Donk (oudste benaming donc in de 13de eeuw) wijst op moerassig gebied. Het voorvoegsel as kan rechtstreeks samenhangen met de gelijknamige Indogermaanse wortel ‘as’, wat letterlijk ‘droog zijn’ betekent. (vergelijk het Griekse azô: ‘ik maak droog’) Een ‘moerassig gebied dat werd drooggelegd’ dus. Ik denk persoonlijk dat dit de meest plausibele verklaring is, al is ze in wezen niet sluitend.
‘As’ kan bijvoorbeeld evengoed samenhangen met ‘asse’: de restanten van datgene dat verbrand wordt dus. Het is twijfelachtig dat de naam Asdonk evenwel samenhangt met een oude begraafplaats. Er zijn voor zover ik weet geen oude toponiemen in de onmiddellijke omgeving van het gebied die deze hypothese staven. Een offerplaats misschien? Dat is mogelijk; al kunnen we ook dat (vooralsnog) niet bewijzen.
Tenslotte open ik een zeer speculatieve piste door as aan aas te koppelen. De aas is, zoals jullie weten, de eerste kaart van het kaart- of dobbelspel. Het is tevens de naam voor de kleinste gewichtseenheid. Maar bizar genoeg is de aas vaak zowel de allerhoogste als de allerlaagste kaart van het spel. De één staat vaak boven de koning, maar tegelijk helemaal onderaan de hiërarchische ladder. In de volksmond wordt de ‘aas’ echter uitsluitend als uitblinker of primus voorgesteld. Een louter positieve benadering dus. En dat is toch wel een markant gegeven waar we even bij moeten stilstaan. De Goden van onze voorouders werden Aesir genoemd. Taalkundig moet het Nederlandse Aas/Azen hier mee samenhangen. In die optiek spreken we van de Hoogsten/Eersten. Het is genoegzaam bekend dat de oude ‘heidense’ Goden onder de christelijke geloofsdictatuur hun Goddelijke status verloren. Ze werden door de Kerk als louter demonen en handlangers van satan afgeschilderd. Wezens die erop uit waren de mens in het eeuwige verderf te storten. Maar evengoed bleef het oude geloof, alle vlammende donderpreken en uitvaardigingen ten spijt, in verkapte vorm voortleven bij onze voorouders. Hardnekkige Goden die zich niet lieten verdringen uit de volksgeest, werden vervolgens gekerstend en werden met attributen van een heilige omhangen. Een klassiek voorbeeld is de figuur van Sinterklaas. De meeste godsdienstwetenschappers zijn het er vandaag over eens dat Sinterklaas in essentie niemand minder is dan een gekerstende versie van de Germaanse God Wodan. (ook hieromtrent bestaat heel wat boeiende literatuur. Ik wil op verzoek gerust enkele titels van boeken doorgeven die deze thematiek uitvoerig behandelen) Ook de Kerk deelde ten lange laatste deze opvatting, want in 1969 werd de goedheilige man door paus Pius VI met stille trom van de heiligenkalender geschrapt... . Wat was het dieperliggende probleem? Sinterklaas was door de eeuwen heen stiekem (opnieuw) opgeklommen tot een Goddelijke status. Hij zat boven op zijn troon in de Hemel en bezat het boek waarin al datgene stond wat alle kinderen wereldwijd zoal uitspookten. (ter reflectie: Wodan zit volgens de mythologische overleveringen op de troon Hlidskjalf in Asgard/Hemel en bezit een ravenpaar dat hem dagelijks alle gebeurtenissen op aarde doorgeeft) Eens per jaar daalde de Sint af uit de Hemel om (via Spanje) de kinderen te straffen, dan wel te belonen, al naargelang het hem schikte. In de kinderharten waren God en Sinterklaas in hun essentie compleet identiek geworden. Wie had als kind geen schrik van de Sint en zijn handlangers, die alles leken te weten? En was het alles weten niet aan God alleen voorbehouden? Dat de paus ten langen laatste niet anders kon dan die vermomde Wodan met een welgemeende schop onder zijn goedheilige kont, van zijn Goddelijke troon richting vergetelheid te sturen, lijkt me nogal evident... . De paus zit immers veel liever zèlf op die hoogste troon... . (maar dat is dan weer een ander verhaal ;o)
Alle gekheid op een stokje; ik haal dit voorbeeld aan om te illustreren hoe – ondanks geloofsverzaking onder dwang – bepaalde diep verankerde beelden kunnen blijven voortleven in de harten van de mensen. Zo kan de term ‘aas’ – een oude benaming om een (heidense) God mee aan te duiden – met voorbedachten rade worden gekoppeld aan de ‘kleinste gewichtseenheid’ (Lees: iets dat in zijn categorie absoluut het minste waarde heeft). Door aan zulk een, van oorsprong religieus, begrip een dergelijke nieuwe inhoudelijke betekenis te geven, ontstaat er een sympathetisch verband tussen de Aas als heidense God en de aas als kleinste gewichtseenheid. In de hoofden van de gewone bevolking leidt een dergelijke ingreep makkelijk tot een vorm van syncretisme met bijhorende paradoxen. Zo kan de aas in het kaartspel zowel ‘hoogste’ als ‘laagste’ kaart worden.
Hetgeen hierna volgt, is uiteraard louter speculatief. Stel nu dat de vroegste benaming van Asdonk effectief met Aas of Azen in hun oorspronkelijke Goddelijke betekenis zou samenhangen. We krijgen dan ‘een moerassig gebied van de Aas (of Azen)’. Laten we nu eens terugkeren naar het woordje donk. Mogelijks hangt dit ook samen met het oudere oudhoogduitse tung en dit betekent: “half onderaardse weefkamer” (zie etymologisch woordenboek van Dr. Jan de Vries en F. De Tollenaere). Het weven (of spinnen), gekoppeld aan het onderaardse voert ons dan in de richting van de Nornen (of Vrouw Holle) die in de Onderwereld het lot der mensen spinnen/weven. Dit geeft aan het woord tung per definitie een religieuze ondertoon. Centraal in het moerassig gebied van de Asdonk bevindt zich een relatief grote heuvel. Dit gedeelte wordt Groot-Asdonk genoemd. Vanwaar dat voorvoegsel? ‘Donk (in deze context: sacraal moeras) van de Grote A(a)s’ ? Ik heb op dit ogenblik geen flauw idee wanneer deze benaming voor het eerst opduikt. Hopelijk krijg ik hier in de toekomst een duidelijker beeld over. Alleszins wijzen de vroegste bronnen erop dat Asgard (woonplaats van de Goden) bij de Scandinaviërs op een hoge bergtop werd gesitueerd (vergelijkbaar dus met de berg Olympus bij de Grieken). Ik wil er ook wijzen dat Wodan en zijn volgelingen volgens de overleveringen vaak uit berg- of heuvelwanden verschenen. Ook werden wendevuren meestal op heuveltoppen ontstoken tijdens sacrale tijdstippen. Er is dus duidelijk een koppeling tussen de heuvel of berg (al naargelang de geografische situering) en de manifestatie van de Goden/het Goddelijke.
Jullie merken dat er, alleen al maar door het gebied taalkundig te benaderen, nogal wat interessante zaken aan het licht komen.
Waarom Asdonk?
We kunnen echter mededelen dat voor wat we voor ogen hebben, al het voorgaande slechts van secundair belang is. De vroegste oorsprong van de Asdonk ligt in de nevelen van het verleden besloten en het is maar zeer de vraag of we ooit een compleet zicht op het volledige plaatje zullen krijgen. Maar in essentie speelt dat ook geen echte rol. Wat we voor ogen hebben met het sacraliseren van dit gebied, is het scheppen van een mythische realiteit. Wat bedoel ik hiermee? We gaan het landschap op symbolische wijze benaderen. Er zijn binnen het gebied van de Asdonk een aantal opvallende ingrediënten aanwezig die met bepaalde principes samenhangen. Deze principes kunnen we, wanneer we een pelgrimage naar het gebied ondernemen, op ons laten inwerken. Het zijn visuele symbolen die een innerlijk transformatieproces helpen in gang zetten. De aanwezige symbolen zijn:
1. de jagersdreef
2. de brug over de ‘zwarte beek’
3. de ontwortelde boom
4. de vijfsprong
5. de kapel met bovenuitzicht over het samenvloeien van de ‘zwarte beek’ met het ‘zwart water’
6. de brug naar de heuvel
7. het offer op de heuveltop
8. de ‘paardenhoef’
9. de gezamenlijke dronk achteraf
Negen cruciale momenten, die wanneer je ze in chronologische volgorde bezoekt, voor ons een achterliggende symbolische betekenis in zich dragen. Bedenk in dit opzicht dat de getallen negen en drie zeer belangrijk waren voor onze voorouders (zie onder meer de werken van Dr. Jan de Vries, F.E. Farwerck en Otto Höfler) en verband hielden met inwijdingssymboliek.
Deze symboliek zal aan de gewone wandelaar uiteraard ontgaan; voornamelijk omdat deze laatste niet (meer) geoefend is in het denken volgens ‘analoge beelden’. Voor onze voorouders ( en voor de meeste tribale culturen wereldwijd) was een dergelijke manier van ‘beeldend denken’ een vanzelfsprekendheid. Waarmee ik niet wil gezegd hebben dat zij dezelfde beelden zouden hebben uitgekozen als wij hier nu aan de Asdonk doen. Het gaat echter om een zeer karakteristieke manier van zien en interpreteren die we ons terug eigen moeten maken, willen we daadwerkelijk de paden van onze voorouders op zinvolle wijze bewandelen. Kort samengevat: we zorgen dat er een synthese tot stand komt tussen onszelf en beelden die de natuur ons aanreikt. Een concreet voorbeeld: wanneer je bij het zien van een regenboog, spontaan denkt aan de Bifrostbrug die toegang verschaft tot de Godenwereld; dan is die regenboog voor jou op dat moment ook daadwerkelijk een brug tussen de werelden. Het aanschouwen van deze regenboog – en het intense gevoel dat ermee gepaard gaat – kan bijvoorbeeld jouw verlangen om door te dringen tot het levensmysterie, fel aanwakkeren. Zo wordt een gewoon natuurkundig verschijnsel – in dit geval een regenboog – drager van een achterliggend verlangen of principe en kan het als blijvende inspiratiebron dienen. Hoe meer we dergelijke ‘dubbele’ interpretaties (een materiële en een principiële) toelaten in ons leven, hoe sterker dit ons gedragspatroon zal beïnvloeden. Ten langen laatste leren we zo terug ‘mythisch denken’. Deze manier van denken hangt heel nauw samen met wat men in Oosterse tradities zal uitdrukken als ‘gebruik maken van het Derde Oog’.
Onze sacrale zingeving
Laten we nu het parcours van onze pelgrimage met de gebruikte symbolen en achterliggende principes onder de loep nemen.
1. de jagersdreef
De naam verwijst naar het concept van de Wilde Jager, één van de benamingen voor Wodan. Wanneer hij met een schare volgelingen – einherjars of ‘strijders van de ene’ genoemd – door de bossen trekt, dan wordt dit in de volksmond de Wilde Jacht genoemd. (Heel wat van onze volksverhalen gaan over dit onderwerp, maar de Jager zelf wordt niet langer aan Wodan maar aan de duivel gekoppeld) Het ging hier in aanvang zo goed als zeker om cultische initiatiebonden. De Wilde Jacht symboliseert de zoektocht van de mens naar de essentie van zijn bestaan (de kleine mysteriën). Dit kan in het beste geval leiden tot een eenwording met de Goden (de Grote Mysteriën). In inwijdingskringen wordt gesproken van het ‘sterven van het oude ik’ of met ene modernere term: het ‘afleggen van het normatieve bewustzijn’. Daarom wordt de Wilde Jacht steeds met de Onderwereld (later ‘Hel) in verband gebracht.
We bevinden ons aan het begin van onze Queeste. We wandelen langs de verlaten imposante Jagersdreef, op zoek naar de Wilde Jager. Op zoek naar Wodan die alle levenskennis heeft. Op zoek naar onszelf.
Wat is het dat ik klinken hoor,
Uit dagen lang vervlogen;
Komt nu, wat eenmaal ik verloor,
Opnieuw tot mij getogen?
’t Zijn zangen, die de Goden, heel zacht,
mij toezongen in stille stonden.
Ik hoor ze weer; ik die onverwacht
die klanken heb hervonden.
Ze zingen van het groot geluk,
Dat eens mij zal begroeten;
Nu ken ik leed en levensdruk
Dat niemand kan verzoeten.
Ze zingen, zingen, en ik ween;
Ik, die niet meer wenen wilde;
ik dacht dit lied voor eeuwig heen,
dat levenspijnen stilde.
Ik hoor de stem, die roept en vleit,
‘k ontwaak uit duizend zorgen
en nu als in de Godentijd
verlang ook ik naar Morgen.
2. de brug over de ‘zwarte beek’
De koppeling van begrippen als zwart, duister en donker aan waterlopen, hangt steevast samen met de Onderwereld. Doorheen de stad Diest (van ‘Di(e)s’ = God en achtervoegsel ‘t’ = nederzetting) bijvoorbeeld, stroomde de rivier Demer. Demer hangt samen met het Keltische Tamara = duister water. Denk ook aan ons oude Vlaamse woord deemsteren: donker worden. Het symbolisch verband tussen water en donkerte enerzijds en Onderwereld anderzijds, ligt voor de hand. In zowat alle Indo-europese tradities hangt het bereiken van de Onderwereld samen met het oversteken van een rivier. De verwijzing naar ‘zwart’ of gelijkaardige termen, hangt samen met de onpeilbaarheid van de symbolische wateren. De Onderwereld – die zich op de symbolische bodem bevindt – is immers onmetelijk diep en deze bodem kan bijgevolg dus niet al zwemmend door de sterveling worden bereikt. Ook wordt de plaats waar de doden verblijven soms met nevel in verband gebracht. (bijvoorbeeld Niflheim en Avalon) In wezen komt dit op hetzelfde neer. Nevel is immers condens dat ontstaat door afkoeling van warmte-uitstraling uit het aardoppervlak.
Hoedanook, onze voorouders staken een dergelijke fysieke waterloop die aan de Onderwereld werd gekoppeld niet over, alvorens er een muntstuk in te werpen. Anders dreigde er een confrontatie met Kludde, Nekker, Wapper of andere kwaadwillende watergeesten.
Om door te dringen tot de kern van wie werkelijk zijn, zwerven we door ons innerlijke woud vol tegenstellingen. We komen zo aan de Zwarte Beek, die onze gevoelswereld afschermt. De gevoelswereld valt samen met de Onderwereld. Ze staat symbool voor al onze instincten, primaire driften en behoeften. In de Onderwereld schuilt het principe van de ‘levensdrang’. We moeten met haar geconfronteerd worden, willen we ons ego kunnen ‘ontmaskeren’. Deze tocht vergt wilskracht en moed.
Mijn oude liefde glanst weer uit mijn ogen,
Mijn oude liefde leeft weer in mijn ziel,
Ik weet haar echt, nu’k door geen smart bewogen,
Haar leven doe, daar onrust mij ontviel.
De waarheid is’t die ik wil, ik haat de logen
En ’t zwakke voelen en ‘t denken klein en schriel.
Trots door de stormzee vaart de ranke kiel,
Mijn Goddelijk Zelf aan bange vrees onttogen.
Al schiet de bliksem slingerend door het zwerk,
Al rommelt luid de donder en al gieren
Wervelende winden; machtig houdt stand mijn hand;
Omvat het roer en ‘k voel mij groot en sterk,
Nu ‘k als een God door de golven mag zwieren
Door duisternis naar het beloofde land.
3. de ontwortelde boom
In alle Indo-europese tradities staat de boom centraal. Het is tegelijk kosmische spil (bijvoorbeeld Asvattha bij de hindoes, Yggdrasil bij de Noord-Germanen, Bilé bij de Kelten, Irminsul bij de Zuid-Germanen,...) als symbolische voorouder van de mensen (bijvoorbeeld Askr = Es en Embla = Slingerplant werden aanzien als de ‘eerste’ mensen bij de Germanen). De gewoonte om het lot van de mens aan dat van een boom te koppelen, leeft voort in het planten van geboortebomen en huwelijksbomen.
In de ‘Onderwereld’ worden we geconfronteerd met de ‘ontwortelde’ mens die we geworden zijn. We leven volgens onze instincten en richten al onze aandacht en energie op het bevredigen van onze materiële driften. We leren inzien dat alle instinctmatige en hartstochtelijke gedragingen ons aan het aardse en de materie kluisteren. We leren dat alles wat zich afspeelt binnen tijd en ruimte, onderhevig is aan drie steeds wederkerende fazen: opkomst/geboorte – actieve periode – verval/dood. Maar, we leren ook dat in ieder levend wezen een immanente onveranderlijke kern aanwezig is: de essentie van wie we waarlijk zijn. Willen we tot deze essentie doordringen, moeten we voorbij de beperkende barrières van onze hartstochten en driften zien te geraken.
Ik eer de Godheid door het wonderschone
Geheim te groeten van uw heerlijkheid.
Gij zult voortaan in mijn ‘groot’ leven wonen,
Dat zich geheel het Licht heeft toegewijd.
Verbroken was de heilige bloemenketen
Die was geslingerd rond ons schoon bestaan
En meer dan arm moesten we onszelf heten,
De Godenvreugd was ons ontgaan.
Gij deed het geheim mij weder weten,
Hier op de bodem het duister te verslaan.
4. de vijfsprong
Indien onze voorouders bedreven waren in het ‘beeldend denken’, dan is het begrijpelijk dat aan kruispunten veel aandacht werd geschonken. Op het exacte snijpunt van twee of meer wegen valt de ruimtelijkheid immers weg. Men bevindt zich haast letterlijk in het centrum ‘tussen’ de werelden. Een vijfsprong is in deze context speciaal. Indien we de vijf richtingen met elkaar verbinden, verkrijgen we een pentagram (of druïdenvoet in de volksmond). De oorsprong van het pentagram als symbool heeft niks te maken met (moderne) hekserij of ‘wicca’ zoals soms al eens foutief wordt verondersteld. Het komt regelrecht uit de pythagoreïsche traditie en werd tijdens de periode van de renaissance ook binnen hermetische tradities gebezigd. Via modernistische occulte stromingen uit de 19de eeuw is het binnengesijpeld in de moderne hekserij. Het wordt gelijkgesteld met de vier elementen (water, aarde, vuur en lucht), vermeerderd met een vijfde (ether), dat al de andere transcendeert. Voor ons staat het symbool voor de wezenlijke mens die tot zijn essentie is doorgedrongen.
In de Onderwereld maakten we kennis met onze levensdriften en onze hartstochten. We moeten leren ze aan banden te leggen, omdat we beseffen dat ze slechts betrekking hebben op het ‘tijdelijke’. Ze bezorgen ons ‘emotionaliteit’ met bijhorende gevoelens van vreugde en verdriet en bijgevolg ‘onstabiliteit’. De bron van deze driften is de drang om te existeren. Het is de kracht van het Leven, dat zichzelf ten allen prijze in stand wil houden. De hindoes kennen dit fenomeen als ‘samsāra’ (letterlijk: ‘de goede gang van zaken). Onze voorouders spraken van het ‘wentelend rad’ (deze term wordt in de Edda genoemd). We beseffen dat deze gevoelens natuurlijk zijn, maar dat er noodzakelijkerwijze ook een vorm van ‘lijden’ aan gekoppeld is. Wanneer we ons kunnen loskoppelen van de verscheurdheid van het emotieve, komen we tot de essentie van ons zelf. Er is een kern in ons die onvergankelijk is; ongrijpbaar voor tijd en ruimte. Die kern leeft niet echt: hij Is. We komen tot innerlijke rust. Op dat moment hebben we de ‘kwintessens’ (van Quinta Essentia) van het leven gegrepen. Uit de mythologische overleveringen van alle Indo-europese tradities staat het ontsnappen aan het ‘lijden’ centraal. Het komt het sterkst tot uiting binnen het boeddhisme, maar we zien het ook in de wedergeboorte van Balder (Germanen), van Mithras (Perzen), het hoofd van Orpheus (Grieken), enz... .
O glans van Licht, van Liefde, lach en leven,
Goudbrandend vuur, dat stralend door de nachten
als een God de pijn van ’t hart komt verzachten,
u roep ik heil, van alle last ontheven.
Al-enig doel van mijn geduldig streven,
Van worstelend winnen en van werkend wachten,
Van durvend zoeken en stoutmoedig trachten,
Jij bent mijn doel, mijn enig doel gebleven.
Laat diep uw luister in mijn wezen zinken,
Verhelder mij en laat mij moedig tijgen
En onder mensen van uw macht getuigen.
Ik zal niet wankelen of in wanhoop buigen,
Maar nederig-sterk tot hoger hoogten stijgen,
Waar in het zalige Licht de liederen weerklinken.
5. de kapel op het plateau
Kapellen werden traditioneel gebouwd op sacrale plekken. Vaak betrof het cultusplekken die reeds veel langer in zwang waren en waar de bevolking geen afscheid van wou nemen. Deze specifieke plek ligt op een licht verhoogd plateau en kijkt uit op de ‘vallei’ waarin de Zwarte Beek uitmondt in het Zwart Water. Zoals gezegd werd dit gegeven gekoppeld aan de Onderwereld. Het was de gewoonte om in dergelijk water offergaven achter te laten, om hiermee de levenskrachten te eren. Later werd dit onder christelijke invloed om waterdemonen af te houden.
Als we tot de kern van onszelf zijn doorgedrongen, aanschouwen we de ons omringende wereld op geheel andere wijze. We staan nu letterlijk ‘boven’ de wateren, in plaats van te verdrinken in emoties en kunnen nu eerder als toeschouwer het levenstoneel benaderen. Dit is in wezen de essentie van de leer der stoïcijnen. We staan nog wel in de wereld, maar we zijn niet meer helemaal van de wereld. De dans van het leven ontvouwt zich aan onze ogen.
Zoek niet de vreugd van luttele seconden,
Zoek niet de glans, die schitterfel verblindt,
Eens zink je neer en bloedt uit duizend wonden,
Terwijl je nergens, nergens uitkomst vindt.
Maar weet je eeuwig met het Licht verbonden;
Voel dat diep in jeZelf, want dan begint
je nieuw bestaan en heb je gans hervonden
De hoge rust, die je eenmaal had als kind.
Je bent niet meer alleen, want altijd weer
Jubelt muziek, je ziet lichtkinderen reien,
Die zingend dansen in een lichte sfeer.
O leven, schoon, je geeft een nieuw verblijen,
Wie weet wat prachten nog de geest aanschouwt,
Die moeizaam ging door dicht en nachtzwart woud.
6. de brug naar de heuvel
Eens we vertrouwd zijn met onze onvergankelijke kern, kunnen we doordringen tot de symbolische Godenwereld. Plato omschreef dit als de Ideeënwereld. (niet te verwarren met het begrip ‘fantasie’!) We schrijden de geestelijke Bifrostbrug over en betreden Asgard. Binnen Asgaard bevindt zich Walhalla, waar de strijders van Wodan verblijven. Met andere woorden: zij die initiatieke Verlichting hebben gevonden.
7. de offergave op de heuveltop
Zoals gezegd wierpen onze voorouders offergaven in moerassen en poelen en brandden zij vuren op heuveltoppen. De heuveltop stijgt boven de oppervlakte uit en geeft de mens overzicht. Het was de ideale plek om de verbinding met het Godenrijk tot stand te brengen.
Door het plengen van een offer, bekennen we onszelf tot de zijde van de Goden. In feite nemen wij deel aan het Oeroffer waardoor het leven zelf kon ontstaan. We offeren al onze driften en onvolkomenheden op en stellen onszelf vanaf nu ten dienste van anderen. Want met het verkrijgen van Kennis en Inzicht, groeit het Mededogen en het verlangen om anderen bij te staan op hun Queeste.
8. het hoefijzer
Wanneer we het offer volbracht hebben, worden we geconfronteerd met Sleipnirs hoef. Sleipnir is het achtbenige paard van Wodan. Het is het paard waarmee hij als Wilde Jager met zijn volgelingen over het aardoppervlak galoppeert. We zijn waarlijke Einherjar geworden: Strijders van de Ene. Binnen de troubadoursmystiek heette zo iemand een Rotovertorios. Dit betekent: ‘hij die het Rad laat draaien’... .
9. de afscheidsdronk
De gewoonte van een afscheidsdronk of maaltijd na een rituele plechtigheid, is oud. We kennen het nog bij de gilden, alsook binnen de vrijmetselarij en de compagnonage. Het maakte steevast deel uit van een Blòt of offerfeest van onze voorouders.
Samen met de andere ‘Wilde Jagers’, sluiten we de queeste af met een dronk of maaltijd. We hebben dezelfde symbolische weg afgelegd doorheen de wereld van ‘Mythos’ en zullen nu onze plaatsen in de dagdagelijkse realiteit weer innemen tot we opnieuw geroepen worden.
Ik wens jullie alvast een fijn Traditiejaar en hopelijk tot binnenkort.
Den Aas getrouw!
Stefaan Van den Eynde
Voorzitter Werkgroep Traditie v.z.w.