Midwinterviering Hnikarr op Roosendael

Na enkele jaren vrieskou en een sneeuwdek keken de leden van het Mechels Asatrugenootschap Hnikarr afgelopen midwinter tegen een winderige en natte dag aan.

We lieten het niet aan ons hart komen en de voorbereidingen w.o. opruimen vuurplaats, oprichten vuur met als bekroning een stroreus, klaarzetten van het materiaal en opsmukken van de herberg, alles verliep wonderlijk vlot en gesmeerd. En het bleef droog!

Tegen 18 uur kwamen de eerste gasten. Die konden zich opwarmen aan de heerlijke gekruide warme wijn en de vuurkorven. En het bleef droog…Na een inleiding van het hoe en waarom van het midwinterritueel, ontstaken we de fakkels en togen we door het duister naar een eeuwenoude machtige taxusboom in een hoekje binnen de slotgracht van het oude kloosterdomein dat Roosendael bij Walem, Mechelen is.
In de slotgracht werden één voor één de fakkels, het oude vuur, gedoofd en men schaarde zich in het duister onder de machtige mythische boom waaronder een klein vuurtje brandde. Een gedicht van Torec inspireerde ons tot het ontsteken van de grote Noordelijke fakkel. En het bleef droog.

Richting vuurplaats met de machtige brandhaard omringd door een kaarsenkring. De 70 deelnemers van alle leeftijden, vooral uit de omgeving maar met een groot aantal gewaardeerde gasten van verder weg, namen in stilte en met de zonneloop mee plaats rond de vuurhaard.
Op de vier windstreken namen 4 meisjes en vrouwen plaats aan 4 fakkels. Met een hulde aan de vier elementen werden deze fakkels ontstoken aan de grote fakkel, het Nieuwe licht uit het Noorden.
Met tromgeroffel werd het vuur ontstoken. En het bleef droog…
Het vuur vond slechts aarzelend haar weg maar uiteindelijk stegen de gensters hoog op. Na de gebruikelijke drankoffers konden de hoornen rondgaan en werd gedronken op alles wat goed was. Aarde voedt onze gedachten, het vuur draagt ze ten hemel…Een offer onder de vorm van een stropopje of een vrucht werd in het vuur geworpen, doedelzakklanken stegen mee ten hemel, het vuur brandde groots maar de zang was van slechte kwaliteit. Maar het bleef droog.
Aan de herberg terug vielen enkele stevige soorten soep met brood te genieten rond de vuurkorven. Iedereen bleef ook ijverig op zoek naar de laatste resten warme wijn. Toen iedereen stilaan voldaan was, hadden de ingewijden van Hnikarr zich teruggetrokken, zich in vachten en mantels gehuld en zich getooid met bokkenmaskers zoals echte Perchten, met hertengeweien en wolvenkoppen. En het bleef nog steeds droog.

De feestvierders werden uit hun roes gehaald en de landsknechttrom lokte hen naar een heuvel boven een historische ijskelder. Daar in het kaarsenschijnsel stond het Wilde Heir van Hnikarr hen op te wachten. Negen maal ging de tranceverwekkende rondedans rond onze offerpersoon, met een zwaardslag stortte hij ter aarde, Na drie trommelslagen werd hem het Woord ingefluisterd en hij herleefde!!! Rondedans!
Op naar het vuur! Daar werd dan door iedereen een zuiverende vuursprong uitgevoerd en werden de appel uitgedeeld. Daarmee was het ganse rituele gebeuren (voor de meesten) beëindigd.

De avond werd verder gezet met sterk bier en straffe praat en onder begeleiding van een volksmuziekgroepje met Ierse inspiratie. En het was nog steeds droog.
Een kernploeg van Hnikarr pleegt steeds op het domein in de hutten te overnachten samen met de gevaarlijkste gasten. Toen ik niet al te vroeg in de ochtend mijn ogen opende en even later al dauwtrappend richting plee trok, regende het pijpenstelen.
Een dikke twee uur later was de ganse opruim klaar, de vuurplaats achtergelaten als een zilveren schoteltje…Het vuur had het toch tot de nieuwe ochtend uitgehouden. En het regende pijpenstelen!

Joris