Joelviering Roosendaal 2005

Viering Traditiekern Dijle & Nete op 17 Joel 2005

Hierbij een toelichting bij de joelviering die werd gehouden op het domein Roozendaal. We gaan dieper in op het ritueel en de gebruikte symboliek.

De avond bestond in essentie uit drie hoofddelen. Tijdens het eerste deel werd de deelnemers een symbolische wandeling langsheen/doorheen de elementen aangeboden. In het tweede deel werd het joelvuur ontstoken, gekoppeld aan de komst van het Wilde Heir. Tenslotte, na een hart en lijf verwarmende versnapering, werd iedereen uitgenodigd tot het maken van de traditionele vuursprong en het zingen van de joelliederen. Traditioneel volgde hierop een volks feest met muziek en zang, dat tot in de vroege uurtjes duurde.

1. wandeling langsheen de elementen

  1. Er wordt wierook geofferd in een offerschaal, Dit symboliseert het Oeroffer van de Prima Materia (Ymir).

  2. Wanneer hierover driemaal een sigrune wordt getrokken, voltrekt de Ordening(3) zich volgens een drievoudig Principe (Odhínn, Vili, Vé).

  3. Met een wierookvat wordt het offer in de vier windrichtingen(4) verstrooid. Hiermee wordt het 'scheppingsmoment'(5) geëvoceerd.

  4. De ritualist plaatst linkerknie op de grond en houdt een hoorn(6) in linkeroor. Bewust wordt geopteerd voor het knielen met links en het openen van het linkeroor, omdat de linkerzijde als passief en ontvankelijk wordt beschouwd. De ritualist aanhoort het onuitsprekelijke Woord dat Odhínn in het oor van Baldur ruunt.(7) Dit is het Eerste Tijdperk, door onze Germaanse voorouders als Speertijd geduid.

  5. De ritualist maakt vervolgens driemaal een driehoekig hartsymbool (eenmaal boven het hoofd, eenmaal op de borst, eenmaal ter hoogte van de abdomen). Dit verzinnebeeldt het volvoeren van de valknutr(8) op drie niveaus.

Intussen werd de Hymne aan Vac, het Woord gedeclameerd door een Volva (uit Rg Veda Samhita)

Ik beweeg met oneindige en natuurlijke krachten.
Ik hou vast de liefde van de Heer der Heren.
Ik hou vast het vuur van de ziel.

Ik verhef het heilige offer en ik bezit
de kracht om te scheppen, te voeden en te geven.
Ik versterk hem die offert,
De ware geest, de edelmoedige; hij die dient.

Ik ben de Koningin, vergaarster van rijkdom.
De Goden hebben mij verspreid naar alle kanten.
Ik heb vele woningen, want ik verspreidde de zangen over vele plaatsen.

Ik alleen spreek het Woord dat vreugde brengt
aan Goden en mensen. De man die ik begunstig,
ik maak hem als een God,
een ziener, een volmaakte offerpriester.

Op de kruin van het universum gaf ik geboorte
Aan de Vader.
Ik adem als de wind die alle werelden omvat.
Ik ben zo machtig dat ik buiten de hemelen treedt
en buiten deze grootsheid der aarde.

  1. een schaal met water (Niflheim) staat in het Zuiden opgesteld; een brandende fakkel (Muspelheim) in het Noorden. Centraal ligt de Ymirsstaf of Irminsul op de grond. Een Volva of Heid staat centraal opgesteld.

  2. Ze neemt de Ymirsstaf(9)en cirkelt driemaal rond Niflheim en driemaal rond Muspelheim. Ze legt vervolgens de staf terug neer en giet water in elf keer langsheen Vuur en Water. We zijn (als wezenlijke mens, bezield door het Od) als het ware getuige van de oorsprong van de Eeuwige Scheppingscyclus. Het Kosmische Water(10)wordt in elf bewegingen (= Elivagar) omheen Vuur en IJs gegoten, waardoor er twee rechthoekige driehoeken ontstaan, die samen een gelijkzijdige (= geordende) driehoek vormen.

  3. Vervolgens wordt de Irminsul of Kosmische As opgericht, terwijl de Volva een driehoeksteken op het hart maakt met de punt naar boven.

  4. het Kosmische Water wordt tenslotte over de opgerichte staf/wereldboom gegoten. De schepping/vormgeving binnen tijd en ruimte wordt zodoende aanschouwelijk gemaakt.

Intussen weerklinkt volgende (op de Edda geïnspireerde) tekst:

Samen in Ginnungagap
stromen het ijzige water van Nifl
en de vurige stroom van Muspel;
koud en warm, vast en vluchtig,
dalend en stijgend, traag en snel.
Het ijzige Noorden
ontmoet het vurige Zuiden;
Al bestaat er ruimte noch tijd… .

Behoedzaam likt de Oerkoe
de tweespaltige Ymir uit het Noordelijk ijs.
Langs haar heen stromen de
elf rivieren der Schepping.
Zij zijn getuige van het Oeroffer
dat volgen moet volgens de
goede gang der zaken.

Drie Goden brengen tweespalt tot eenheid.
Chaos verdrinkt in het bloed van de reus.

De Wateren dalen verder af uit de Hemelen
en banen zich een weg in
tijd en ruimte... .

2. het vuurritueel

Er weerklinkt volgende tekst uit Rg Veda: Hymne aan Agni, het Goddelijk Vuur:

Goddelijk vuur, u zamelt bijeen
alle kostbare goederen voor uw toegewijden.
U wordt op het altaar van het offer ontstoken.
Breng ons de overvloed!

Kom tezamen! Spreek tezamen!
Laat uw geesten verbroederd zijn,
gelijk aan de Goden van weleer die
in harmonie de eredienst verrichten.

Eensgezind is de raad, eensgezind de vergadering,
eensgezind de geest.
Laat uw gedachten eendrachtig zijn.
Ik bied u een gemeenschappelijk doel.
Met vereende geesten offeren wij het offer.

Laat uw doel zijn één en enig.
Laat uw harten zijn alle in één.
Laat uw geest ook zijn verenigd,
in vrede in allen.

Zo moge u zijn!

  1. drie nornen ontsteken 12 fakkels aan het Muspelvuur en delen ze naar vrije keuze uit aan 12 uitverkorenen, terwijl een ritualist de ondeugden van het voorbije jaar opsomt.

  2. aan de 12 uitverkorenen(15) wordt gevraagd met het vuur van de jaarfakkels het grote joelvuur te ontsteken. Zodoende worden de Chaos veroorzakende ondeugden verschroeid in het reinigende Vuur.(16)

  3. Terwijl de vlammen hoger rijzen, brengen de deelnemers een persoonlijk offer. Bovenop de joelstaak staat het paard Sleipnir met een zonnerad afgebeeld.(17)

  4. Geïnspireerd door het transformerende Vuur gaan drinkhoornen gevuld met Od (Goddelijke Mede) rond en worden er versnaperingen aangeboden.

Daarop vormde ook dit jaar weer geen uitzondering. Er zijn zekerheden in het leven van de Aasgetrouwe... .


___________________________________________

  1. Wanneer we in deze context spreken over 'elementen', dan doelen we niet op fysieke verschijningsvormen, maar op Principiae die aan de basis van het gemanifesteerde liggen.

  2. Joel dient hier te worden gezien in haar oorspronkelijke context van (wentelend) wiel of rad (= hjól). Het wentelen houdt verband met de eeuwig hernieuwende cyclus van het gemanifesteerde.

  3. Deze 'Oerordening' volgens drie Principiae vormt een uitbeelding van het Orlögr. Het Orlögr kan worden gezien als de Oerwet, waaraan al het geschapene/gevormde onderworpen is. We maken dit aanschouwelijk door aan een tweespalt (twee benen van een gelijkzijdige driehoek) een derde - verbindende - zijde toe te voegen.

  4. De opeenvolging van de getallen 1 - 2 - 3 - 4 is een verwijzing naar de pythagoreïsche tetraktys-formule, die gans het kosmisch scheppingsproces omhelst.

  5. Een juistere benaming zou 'vormingsmoment' zijn, aangezien de 'scheppingsdaad' het lineaire tijdruimtelijk denken in de hand werkt, zoals tot uiting komt binnen de abrahamitische religies. Een schepping ab nihillo wordt binnen het Ásatrú-denken als weinig waarschijnlijk geacht. Merk op dat noch Ymir, noch de mensen geschapen worden: ze komen tevoorschijn (Ymir) of spoelen aan op het (kosmische) strand (Askr & Embla).

  6. De hoorn is een veel voorkomend symbool in de Noordse Traditie en heeft meerdere betekenislagen. In de gebruikte context gaat het om de Hoorn waarin het Goddelijke Od (= Inspiratie) - onder de vorm van sacrale mede - in de wezenlijke mens wordt gegoten. We verwijzen hier naar het gegeven van de Vedische dichters rsi's en rsika's die volgens de Rg-Veda samhita eveneens Goddelijke Inspiratie ontvangen.

  7. Het Middelnederlandse werkwoord rûnen betekent zoveel als 'fluisteren'.

  8. De valknutr of 'knoop van de gevallene(n)' heeft een hoog initiatieke waarde binnen de Ásatrú-beleving van de Werkgroep Traditie. Het betreft de vereniging van Adelaar, Ratatoskr en Niddhögr, ofwel de reïntegratie van het lagere in het Hogere Zelf.

  9. De leden van de Innerlijke Kring van Traditie dragen een Ymirsstaf (= gevorkte houten staf) als herkenningsteken met zich, om er aan herinnerd te worden dat al het 'geschapene' uit de Prima Materia emaneert. De twee vorken (een dikkere en een dunnere) wijzen op de twee mogelijk te bewandelen paden: de Weg van de Goden of de Weg van de Reuzen (= voorouders). In de context van het joelritueel symboliseert de Ymirsstaf de Wereldboom of Geordende Materie. Let in dit geval op de drie gekleurde linten die aan de staf bevestigd zijn.

  10. Dit mag in deze context niet verward worden met het IJs van Niflheim zelf! Dit laatste hangt in verhouding met het Vuur van Muspelheim samen met de coalugerende of vermaterialiserende eigenschap binnen de alchemistische traditie.

  11. We verlaten de wereld van Mythos en betreden het 'fysieke' tijdruimtelijke kader. Dit wordt uitgebeeld door de overgang van eenheid (tussen Oerpriester en Volva) naar de veelheid (van de aanwezigen). Aangezien we allemaal getuigen waren van het mythisch uitgebeelde Scheppings/vormingsproces, kunnen we ons in deze context 'uitverkorenen' noemen. Als godi's en gydja's vervullen we onze offertaak.

  12. Het getal negen is omnipresent in de Noordse Traditie. Het draagt een sterk initiatieke connotatie en hangt samen met het 'Volvoeren van het Lot'.

  13. Wanneer we binnen Traditie over Midgaard spreken, dan doelen we niet op de fysieke aarde zonder meer; doch op de wezenlijke mens die zich in zijn centrum bevindt. Enkel in het Midden rijst de Yggdrasil of Wereldes op, die de Kosmische Spil verzinnebeeldt. De profaan die volgens zijn of haar driften en emoties leeft, toeft in wezen in Jotunheim of Svartalfheim.

  14. Ásatrú wordt 'de Weg van het Noorden' genoemd, naar analogie met de zon die tijdens midzomer haar hoogste en tevens meest noordelijke stand bereikt. Daarom wordt het principiële element Vuur aan het Noorden gekoppeld. Tegenover Vuur ligt binnen onze Traditie Water/IJs in het Zuiden. Aarde wordt in het Oosten geplaatst; Lucht in het Westen. Dit is essentieel om weten, omdat symbolische handelingen zich steeds binnen een gebruikte context afspelen! Het is niet onbelangrijk te beseffen dat weinig neopaganistische bewegingen van deze indeling gebruik maken.

  15. De 12 fakkels symboliseren de 12 voorbije maanden. Bij het overhandigen van elke fakkel wordt één van de maandnamen afgeroepen, met daaraan gekoppeld een gebeurtenis die onze gemeenschap heeft beziggehouden. Het betreft stuk voor stuk gebeurtenissen met een negatieve connotatie; gebeurtenissen die ons verder verwijderen van (Kosmische) Orde. We beseffen dat deze lijst natuurlijk noodzakelijkerwijze onvolledig was en dat er nog heel wat andere zaken zijn waaraan we ons konden ergeren. Het declameren van alle 'ondeugden' van het voorbije jaar herinnert ons aan het Jaarding waarop recht werd gesproken.

  16. Hou hierbij in het achterhoofd dat het verterende (Chaos veroorzakende) vuur aan Loki wordt gekoppeld, terwijl het louterende Vuur met de God Heimdal (de witte Aas) in verband wordt gebracht. Chaos wordt getransformeerd tot Orde.

  17. Sleipnir - het paard van Odhínn - verzinnebeeldt ondermeer het actieve transformatieproces van materie naar geest. Het is goed om weten dat in onze Traditie Sleipnir/paard, Yggdrasil/vuuraltaar en het Vuur zelf compleet samenvallen. Het vormen verschillende aspecten van eenzelfde proces. We vinden dit proces samengebald in de verschillende handelingen die Odhínn - de Inwijdingsgod - stelt.

  18. Aangezien de deelnemers het Orde herstellend offer hebben uitgevoerd, kunnen ze getuige zijn van het mythische Wilde Heir dat op aarde daadwerkelijk orde op zaken stelt. Er verschijnen demonisch uitziende gehoornde wezens die verwant lijken aan de Krampussen en Perchten. Één van hen draagt een bezem bij zich, waarmee hij de strijd aangaat met de ijsreuzen. Een andere is volledig in het zwart gehuld en draagt een strop met negen windingen om de nek. Dit verwijst naar een dedicatie aan Odhínn. Hij wordt gedood en kan herleven, nadat hem het Woord in het oor wordt gefluisterd.

  19. Heuvels worden vaak in verband gebracht met het Wilde Heir. In het volksgeloof leeft de gedachte dat achter de heuvelwand de gesneuvelden aan de dis zitten met de Goden. Oorspronkelijk werd het Vallhal (= de Hal van de Gevallenen) niet buiten de aarde gedacht, maar in het binnenste ervan.