Sfeerbeeld van de Regionale Kern Lohengrin Antwerpen

Esoterische Wandeling

Hier volgt een ooggetuigenverslag van één van onze leden. De typisch Antwerpse humor is nooit veraf...

Op een zonnige, windovergoten zomerdag in juni werd onze kersverse Antwerpse kern Lohengrin boven de heidense doopvont gehouden. Om dit te vieren hadden we als allereerste activiteit een esoterische wandeling door hét Stad gepland mét bevallige gids. Maar liefst 34 Traditianen hadden zich ingeschreven voor deze uitstap, zodat we al meteen van een succes konden gewagen. Onder mondige begeleiding van Key Minnebo trok onze bonte stoet – die van het Circus Jeroen Bosch gelijk – door het oude stadsgedeelte. Ontroerd stonden we op de plek waar ooit de bevallige Walburga met een bootje aan wal was gekomen om het seksueel beladen Meifeest­ te komen promoten. Ze deed het met zoveel bravoure dat men haar na haar overlijden in Heidenheim (géén grapje!) in 779 tot sint van de Mei-uitspattingen heeft gepromoveerd … Onder de Steenpoort pinkten we een traan weg bij het aanschouwen van het oude Priapusbeeldje, wiens opgerichte toverfluit de strenge Reformatoren blijkbaar niet had kunnen bekoren. En de Antwerpse Katharen rond de charismatische Tanchelijn waren nog wel zó trots geweest op hun ketters beeldje… We zijn meteen ons beklag gaan doen bij Onze-Lieve-Vrouw-op ’t Stokske. Of ze eens van haar stokske wou komen om ons te expliceren waarom zij naar Brussel was getrokken in plaats van zich over de fluit van Priapus te bekommeren? Godjummenas! Zonder zijn toverzaad zou het wel eens snel bergaf kunnen gaan met de bevolkingscijfers van onze geliefde metropool… Ons Lieve-Vrouwke was niet bereikbaar voor enig commentaar. We moesten ons met zulke klachten wenden tot de Schepen van Ruimtelijke Ordening, zo heette het. Gelukkig was er nog Lohengrin, de koene Zwaanridder – en patroon onzer Antwerpse Kern – die ons liet weten dat hij en Elske het goed stelden in Montsalvat. Ze hadden net een Graalfeestje achter de rug en hadden nog wat hoofdpijn. Gerustgesteld trokken we verder richting Grote Markt, alwaar we opgewacht werden door de held der helden: Brabo. Groot bleek onze verbazing toen we te horen kregen dat onze beroemdste handwerper een Vrijmetselaar bleek te zijn! Wie weet zelfs een niet-reguliere! En is Antwerpen niet sinds mensenheugenis een Jodenstad? Lap, ineens werd alles duidelijk! Ze hebben ons, Antwerpenaren, al eeuwenlang bij ons kl…!! Die arme Antigoon zal vast wel een doorbrave nietsvermoedende autochtone Germaan geweest zijn, die niet buigen wilde voor den vreemde en dus in ’t Scheld moest gedumpt worden… Eindelijk werd het Grote Complot ontrafeld. Behoorlijk geshockeerd spoedden we ons binnen de veilige muren van de Kathedraal, alwaar we om vergeving baden voor onze eerdere uitval naar Onze-Lieve-Vrouw-van-‘t-Stokske. Nu begrepen we waarom zij gaan lopen was…Met een gerust geweten konden we dan verder naar de kelders van de Pelgrom om aldaar de kelen te smeren en ons voor te bereiden op wat mogelijks nog allemaal komen ging. Na een uurtje togen we naar de drukkerij van de heer Plantijn. Hier – in het Huys der Liefde – kwamen erudiete Antwerpenaren samen om zich te bezinnen over het ‘eenwezige leven Gods’ en andere religieuze koetjes en kalfjes. Of om in boekskes te lezen, want aan boekskes had Jan geen gebrek gehad. Aan het eind van onze wandeling werden we voorgesteld aan ene John Dee; een zatte Engelsman die regelmatig met Engelen placht te praten; óók in nuchtere toestand naar verluid! Wij, als rasechte Antwerpenaren, kennen dat gevoel en begrijpen dat! Nog steeds pist er een engeltje op ons’ tong wanneer wij een frisse pint of heerlijke trappist aan onze lippen zetten…Wij begrijpen die commotie rond die Brit dus niet goed. Over trappisten gesproken: na zoveel wijsheid vergaard te hebben, moest er dringend een werk van barmhartigheid verricht worden! Daarom toog nagenoeg de ganse Antwerpse Kern naar het Krabbestrotje om daar bij moeder Neeltje nog wat na te kaarten. Het was een prachtige middag geweest, waarop wij, Sinjoren, weer heel wat bijgeleerd hebben over onze Stad.

Enne, mochtet nog ni wete: waai, manne en vraawe van Aantwàààrpe, waai zwanze gère, zedus ge mut ni oep oe tiene getrapt zen am w’ier links of rechts is tegen een heilig uizeke gestamt ebbe! Onze veurm van sarcasme eed ‘ons al ieewe g’olpe. Ache doar dus ni tege kunt, dan zedde zeker ni van ier!